maandag 19 april 2021

#26 Rauwe vis.

 


#26 RAUWE VIS.

(198,55 km, Sombreffe)

 

Walter voelde het opkomen toen ze de camper uitstapte. Hij huilde. Van binnen huilde hij. Dit gebeurde hem wel vaker de laatste jaren. Meestal werd het in gang gezet door een foto in zijn hoofd waarin hij plotseling zijn leven zag. Dit is wat hij geworden was: een grote man opgevouwen in het zitje van een camper. En precies wanneer hij ten volle besefte dat dit het was en dat het nooit meer iets anders zou worden, huilde hij. 

Niemand zou ooit iets aan hem kunnen zien. Daar zorgde hij wel voor. Van buiten zag je enkel zijn geschoren kin, zijn gestreken overhemd en de vouw in zijn korte broek. Sokken schoon en lederen sandalen gepoetst: niets om je zorgen over te maken, niets uit het lood. Maar achter de ogen, diep in de buik, ver in de verborgen vezels achter in zijn hoofd huilde hij met lange halen. Beestachtig huilde hij, als een wolf diep in de nacht, roepend naar de rest van de roedel. De roedel die verder was gelopen. Die niet achteromkeek en hongerig hun prooien najoeg. Hem hadden ze al lang achter gelaten en hij wist het: hij kon huilen wat hij wilde, ze kwamen niet meer terug.

Voor de honderdste keer draaide hij de onderzetter met de koffiemok rond en keek uit het raam van de camper. Het uitzicht klopte precies bij hoe hij zich voelde. De parkeerplaats van het restaurant was leeg op hun camper na. Ernaast lag de schuur van een boerenbedrijf met daarnaast, nog net te zien vanuit de plek waar hij zat, een grote hoop dampende koeienmest. 

Een lege plek met een berg stront. Net buiten het zicht. Precies zo voelde hij zich op zijn vakantie door het Belgische land. Walter kneep in de lege koffiemok tot zijn knokkels wit werden en snikte ongecontroleerd achter zijn ogen. Het was stil in de camper en er was, buiten de witte knokkels, niets aan hem te zien.

 

Voorzichtig droeg Zijn Vrouw Beatrice het bakje met daarin de sushi en de zeewiersalade over de parkeerplaats. Geconcentreerd keek ze naar de steentjes voor haar voeten. Walter staarde naar haar en terwijl ze dichterbij kwam stelde hij zich voor hoe ze eruit zou zien als ze nu zou struikelen over de verdwaalde baksteen die daar lag. Hoe haar smetteloos witte driekwartbroek besmeurd zou worden door de modder. Hoe haar perfect gekapte haar voor haar ogen zou hangen en haar handpalmen geschaafd en zanderig zouden zijn. De sushi zou verspreid over de parkeerplaats liggen en zij, Zijn Vrouw Beatrice, zou luidkeels roepen om hulp. Zou hij haar dan horen? Hij stelde zich voor van niet. Zelfstandig zou ze niet overeind komen. Niet dat ze daar fysiek niet toe in staat was, maar ze wilde hulp in nood. Dwong hulp af. Hoe onnodig die hulp soms ook was. Zou er iemand van het restaurant dan naar buiten rennen en haar overeind helpen? Wellicht. Ze zou er hard genoeg voor roepen. Maar zou het hem lukken zijn lach in te houden wanneer hij haar dan later weer zou zien? 

 

Precies toen ze voor de deur van de camper aankwam, deed Walter de deur open. Deze naadloze samenwerking viel haar al lang niet meer op. Ze verwachtte het simpelweg. Eigenlijk merkte ze het pas op, wanneer hij het niet deed. Dit gebeurde haar maar heel zelden. Zo’n doorbreking van de verwachting irriteerde haar meteen. Wat was er aan de hand dat hij de deur niet meteen voor haar opendeed? Waarom was hij niet op haar gericht? Waar was hij mee bezig? 

Vandaag was dit niet het geval. Ze kwam aan bij de camper, de deur opende zich en Zijn Vrouw Beatrice stapte de warme camper binnen. In één vloeiende beweging stapte ze uit haar schoenen en schoof in de slofjes die naast de deurmat stonden. Ze zette het plastic bakje op het minitatuur-aanrechtje en begon grondig haar handen te wassen. ‘Wat een ongelofelijk vieze bedoening daarbinnen zeg. Ik mag hopen dat het in de keuken er wat netter aan toegaat dan in dat afhaalhokje. Wat een armoede.’ Walter keek uit het raam naar het Sushi-Teppanyaki-restaurant. Het had aan de buitenkant inderdaad zijn beste tijd gehad. Zwart en rood overheersten in de gevel wat het etablissement een donkere uitstraling gaf. De doorweekte vaalrode loper die halverwege de parkeerplaats begon mocht hierin niet helpen. Het was echter de enige uitspanning die ze tegen waren gekomen en zes uur was nu eenmaal zes uur. Als hun maag hen daar niet aan herinnerde, deed Zijn Vrouw Beatrice dat wel. Rust, reinheid en vooral regelmaat. Vakantie of geen vakantie. 

 

‘Ik begrijp dat niet, van zo’n tent. Dat is toch gewoon een kwestie van onderhoud? Dat hóeft toch allemaal niet zo afgebladderd te zijn? Het hóeft toch niet vies te zijn? Het is niet dat het er nou zo druk is. Ik bedoel, dat ze geen tijd hebben om het een beetje te kuisen. Ik zeg altijd, het gaat gewoon om onderhoud; bijhouden wat je hebt en het schoonhouden.’

‘Precies’, dacht Walter. Dat is exact wat Zijn Vrouw Beatrice altijd zegt en haar leven mee vult; schoonhouden en onderhouden. Hele dagen is ze aan het poetsen en hem in haar hoofd opdrachten aan het geven. Fijntjes laat ze hem vervolgens vanaf het moment dat hij uit zijn werk komt weten wat er kapot is in het huis. Ze loopt er de hele dag doorheen, dus elk los spijkertje, elk piepend deurtje, elke losse plint valt haar op. Na het eerste kopje koffie mag hij dan ook meteen de gereedschapskist uit de garage halen en aan de slag. En dat doet hij dan ook. 

 

‘Deed ze maar een beetje onderhoud en poetswerk aan ons huwelijk’, verzuchtte Walter toen hij de sushi over twee borden verdeelde. De meegeleverde soyasaus schonk hij in één van de twee glazen soepbakjes die de camper telde. Iets anders had hij zo snel niet kunnen vinden in het keukenkastje. Even had hij met een eierdopje in zijn handen gestaan, maar het beeld van een soya-vlek op het tafelkleed had hem snel van gedachten doen veranderen. Het kleine zakje wasabi verdween samen met de ongebruikte eetstokjes en het menu (voor een volgend keer waarvan hij nu al wist dat die niet ging komen) in het afvalbakje onder het aanrecht. Achter hem was Zijn Vrouw Beatrice aan tafel geschoven. Een glas water stond naast haar bord met sushi. ‘Eet smakelijk’ zei ze, terwijl ze haar mes en vork ter hand nam. 

Nauwkeurig sneed ze de maki doormidden en druppelde vervolgens met een theelepeltje een beetje soyasaus over het stukje. Toen stak ze het in haar mond en kauwde in stilte. Ze keek Walter even goedkeurend aan en richtte haar blik weer op haar bord.  ‘Heerlijk hoor,’ mompelde ze eigenlijk meer in zichzelf toen ze met een servet haar mondhoeken schoondepte. 

 

Iets in zijn maagstreek begon schokkerig te janken. Walter concentreerde zich om het weg te duwen, hij zat tenslotte aan het diner. Met moeite veegde hij het gevoel weg van zijn maag naar een hoekje bij zijn ruggegraat. Daar moffelde hij het onder een vloerkleed en stampte het even aan. Een paar kleine restjes draaide hij tot balletjes en propte ze in de kiertjes van zijn ziel. ‘Zo, daar ziet niemand wat van’, dacht hij en stak opgelucht een vork vol zilte zeewier in zijn mond. 

 

 

maandag 12 april 2021

#25 Niet toeteren, doorrijden.


#25 NIET TOETEREN, DOORRIJDEN.

(188,91 km, Gembloux)

 

'Wat ik dan wil? Vraag je me dat nou echt? Wat ik wil? Ik wil dat ze me gewoon met rust laten. Ik wil dat ze me met rust laten en gewoon in die stoel bij het raam laten zitten als ik naar de vogeltjes zit te koekeloeren. Gewoon doorrijden met die auto en niet hier uitstappen en binnen willen komen. Doorrijden, zeg ik. Vroeger kwamen ze toch ook nooit langs? Of wel? Heb jij ze ooit hier gezien? Hebben ze hier ooit één bakkie koffie zitten drinken? Aan deze tafel? O. Dat wilde ik zeggen. Waarom nu dan wel? Omdat er een ziekte rondgaat. Ja, dag, zo ken ik er nog wel een paar. Laat ze lekker daar blijven, man. Is voor iedereen toch beter. Ik zit daar toch helemaal niet op te wachten. Laat ons gewoon de krant lezen. Of lekker een beetje schilderen. Maar niet in één keer met z’n allen op de koffie willen komen. Donder toch op. 

 

Zou ik misschien even nog wat zout mogen? Dankjewel hoor. Heel aardig van je. Het is zo’n aardig meiske, die. Van mij mag ze blijven. Hoeven we die kenau tenminste niet meer tegen te komen. Ik mag hopen dat die wegblijft. Wat een wijf was dat. Of niet dan? En dan die washand ‘s ochtends. Dat ging toch allemaal veel te ruw? Kan me mijn reet niet roesten dat ze dat al zo lang doet, dan doet ze het al zo lang verkeerd. Dat wilde ik zeggen. Nee hoor, deze is heel aardig en ziet er nog lief uit ook. 

 

Zo. Het zit er weer in. Kijken of het dit keer ook allemaal weer een beetje binnenblijft. Nee, maar het is toch ook zo? Hoe lang zit ik hier nou al? En hoe vaak heb jij bezoek voor mij gezien? Nooit. Ik ziet hier al tijden alleen. En ik zei al: het hoeft van mij ook niet. Ben je mal. Zo gezellig zijn ze niet als ze komen hoor. Vroeger toen we nog in het oude gebouw zaten kwamen ze nog wel eens. Nou, daar keek ik echt niet naar uit. Ze zaten alleen maar over zichzelf te praten. Lulden ze me de oren van de kop over hun werk en hun huis en de buren en de school van die kinderen. Ook zoiets. Als ze langskomen moeten die kinderen blijkbaar ook mee. Die jong lopen vervolgens de hele boel te verbouwen omdat ze te beroerd zijn om simpelweg de discussie aan te gaan dat ze op hun kont blijven zitten. Nee, daar zijn ze te ‘onrustig’ voor. Hou toch op. Toen wij klein waren hadden we gewoon te blijven zitten in onze zondagse kleren. Een boekie kon je krijgen, of een pak kaarten. Als je maar je kop hield. Nee, dan kan dit wel de moderne tijd zijn die veranderd is, maar dat wil niet zeggen dat het beter is. Wat mij betreft in ieder geval niet. Ik vind het wel goed zo. Ze bellen maar gewoon. 

 

Ja hoor. Het was heel lekker. Je ziet het; het hele bordje is leeg. Jaja, ik ben goed opgevoed door mijn moeder. Nee hoor, dat is een grapje. Ik vond het echt heel lekker. Zeg, zou ik misschien een kopje koffie mogen? Ja? Dat is heel aardig van je. En mag ik je vragen of daar misschien ook nog een koekje bij mag? Mag dat? Heel lekker. Ja hoor. Ik ga zometeen weer daar in de stoel bij het raam zitten. Ja, dank je. De Volkskrant, ja. Je bent een schat. Wat een aardig kind is het toch.

 

Wat krijgen we nou. Nee toch? Tjongejonge, het moet niet gekker worden. Nou moet je eens komen kijken. Wat is dat nou weer voor flauwekul? Er staat een jongen met zo’n toeter. Hoe heet zo’n ding ook alweer? Saxofoon ja. Er staat er eentje midden op de weg met een saxofoon. Daar beneden, kijk maar. Gaan we die onzin hier nou ook al krijgen? Wat is het volgende; een draaiorgel omdat meneer de Bruin jarig is? Een volksdansgroep op afstand die door de tuin hobbelt? Nog even en ze staan hier ook met zo’n hoogwerker voor het raam. Staan ze hier naar binnen te zwaaien alsof we aapjes zijn. Nou, dan zit ik de hele dag op mijn kamer hoor, als je dat maar weet.

 

We gaan dat raam helemaal niet opendoen. Ben jij gek? En dan een beetje hier op de tocht gaan zitten zeker? Ik wil net met een kopje koffie aan de krant beginnen, krijgen we dit. Het zal wel weer iemand van de muziekschool zijn die zo nodig The Best of Andre Rieu moet komen toeteren om ons een hart onder de riem te steken. Nou, ik kan je vertellen dat het vaker een nagel over een schoolbord is dan wat anders. Het is toch zo? Iedere gek van het wijkcentrum moet hier zonodig een moppie voor ons komen spelen. En dan kunnen wij zeker weer twee uur uit het raam hangen om als een stelletje debielen mee te klappen. Dat heb ik mijn hele leven nog niet gedaan, en ga ik nu ook niet doen. Het is elf uur, ik lees de krant, ik zit in een stoel en af en toe kijk ik naar de vogeltjes die er nu natuurlijk ook niet zijn, omdat al dat volk daar bezig is. 

 

Och ja natuurlijk, zij vinden het wél leuk. Welja, gooi lekker alle ramen open. Wat kan jullie het schelen? Stoken we hier toch lekker voor Jan met z’n korte achternaam? Wat zijn het toch een stelletje voorbeeldbejaarden. Kijk ze nou eens staan klappen en zwaaien. De gezusters Kwebbel met hun scheve ogen. Ik kan zo strontsacherijnig van die vrouwen worden. Heb je gezien hoe ze die nieuwe vrouw behandelen? Die met haar arm in een mitella. Alsof het een stelletje pubers zijn zoals ze die vrouw negeren. Ze draaien zo hun kop om als ze binnenkomt. Nou, dan ben je een grote meid hoor, als je met negentig jaar nog zo kinderachtig kunt doen. Ze steken nog net niet hun tong niet uit. En maar lachen en zingen. 

 

Dankjewel hoor. Zeg, zou je me nog één plezier willen doen? Ik ga de koffie toch op mijn kamer opdrinken. Ik vind het hier een beetje koud met het raam zo open. Met het krantje erbij, ja. Zou je even mee willen lopen? Ik denk dat ik anders de koffie in de gang ga morsen. Dankjewel hoor. Heel vriendelijk van je.

 

Vooruit, ik zie je straks wel weer. Kletsen we gezellig weer een beetje verder. Vanavond Ajax-Vitesse he. Gaan we doen. Tabé en salut! '

maandag 5 april 2021

#24 Kat zonder handschoenen.

 


#24 KAT ZONDER HANDSCHOENEN.
(178,60 km, Thorembaint-Saint-Trond)

 

Vrolijk floot Tina de melodie van de cd mee en duwde het karretje met de schoonmaakspullen door de deur naar de kattenafdeling. Flessen rammelden en een beetje van het sop in de emmer klotste langs de deur. In elke ruimte waren speakers opgehangen zodat de muziek overal te volgen was. Een ijle viool volgde haar langs de honden, de reptielen en konijnen. Klassieke muziek, iets wat de bezoekers nooit verwachtten, maar de dieren werden er rustig van. Zeker de poezen. Iemand in Portugal had daar onderzoek naar gedaan en inderdaad: het bleek te werken. Alle katten lagen soezend in hun hokjes, al zou er ook mee te maken kunnen hebben dat ze net hun eten hadden gehad. Voldaan deden tientallen harige bolletjes een tukje verspreid over de hal. Een aantal van hen lichtten nieuwsgierig hun kopjes op toen ze de ruimte binnenkwam. Een enkeling rekte zich nog maar eens uit. 

            Tina had er even aan moeten wennen. Vroeger zong ze hardop mee met de popmuziek uit de hitlijsten die via de radio door het gebouw schalde. Toen de klassieke muziek was geïntroduceerd werd ze er soms een beetje kriegelig van. Ze merkte echter dat ze steeds vaker stukken begon mee te fluiten. Niet lang daarna had zichzelf er op betrapt dat ze tijdens het schoonmaken thuis ook een klassiek stuk opzette. Het was eindelijk gebeurd: Tina was op de dieren gaan lijken. Ze werd er ook rustig van.

            

Toen ze het middenpad van de poezenhal veegde werd er plotseling op de deur geklopt. Even daarvoor had Freek, de pukkelige receptionist van het asiel die het liefst de hele middag in een game op zijn telefoon zat, haar gebeld. Er was iemand bij de balie die interesse had voor een kat. Tina zette haar bezem in de hoek en liep naar de deur. 

En daar stond hij dan. Daar in de deuropening: Adonis himself. Ze herkende hem meteen ondanks zijn grote zwarte montuur en het morsige groene mutsje op zijn hoofd. Die houding, dat overduidelijk gespierde lichaam, die ogen. Het was Jordy. De. Jordy. Hij, voormalig held die krakend van zijn voetstuk was gedonderd.

 

‘Hoi, ik kwam even kijken voor een kat, of ja poes. Mag best een beetje al een oude zijn, ik woon niet zo groot.’ Hij was wat onhandig, viel haar op en was duidelijk niet op zijn gemak. Toen hij de vraag stelde, zag ze hem even op zijn kaken bijten, waardoor de aangespannen pezen kort te zien waren. Dit bijten was haar zo bekend. Het was een tijdlang ongelofelijk aantrekkelijk geweest wanneer hij het deed. Maar ook dat was veranderd. Tijdens het storten van zijn voetstuk had hij dit onafgebroken gedaan.

 

Zou ze durven? Tina keek hem aan. Hij stond echt voor haar. Op haar terrein. Met vragende ogen. Ze had zich voorgenomen nooit zo’n moment voorbij te laten gaan. Dit was het moment.

 

            ‘Ja, hoor. We hebben hier best wat dames op leeftijd zitten. Of wil je liever een kater? Echte kerels hebben we ook.’ 

‘Nee, doe maar een poes, die zijn wat minder agressief, begreep ik.’ 

‘Dat klopt over het algemeen, maar er zijn er ook die je niet zonder handschoentjes moet aanpakken, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Tina lachte om haar eigen gevatte grap. Die had hij in ieder geval al binnen. Ze kon deze kans niet aan zich voorbij laten gaan. De jongeman deed mee als een boer met kiespijn. Daar waren die pezen van zijn kaak weer. Die kaaklijn, dat warrige haar onder het mutsje, die blauwe ogen. Dat gebronsde lijf in die zwembroek… Tina begon langs de kooien te lopen. Ze moest haar aandacht even verleggen.

 

            ‘Dit is Fien, acht jaar oud. Superlief. En daarnaast zit Tante, die is elf. Al deze hokjes tot aan de deur zijn poezen. 

‘Dank je.’ De ogen keken haar aan. Ondanks de weerzin voelde ze zich smelten. Ze begreep ineens heel goed waar het mis was gegaan. Hoe ze er zelf ook in zou kunnen trappen. Hoe verraderlijk dat was. Hoe verraderlijk hij was.

‘Is er nog iets, of kan ik even kijken?’

 

Tina begreep dat ze in actie moest komen als ze haar voornemen wilde uitvoeren. Langer wachten kon ze niet verkopen aan zichzelf en zeker niet aan al haar vriendinnen. 

‘Sorry, misschien heel stom dat ik het vraag, maar jij bent het toch? Jij bent toch Jordy? Jordy van Love Beach?’ Er viel een kleine stilte. Een vioolconcert van Bach vulde de ruimte. In haar hoofd zong ze de melodie mee. Achter hen bemoeide een kater zich er mauwend mee. 

‘Goed gezien’, antwoordde hij. Daarnet twinkelden zijn ogen nog, maar nu sloeg hij ze neer. Waarschijnlijk had hij al vaker dit soort ontmoetingen gehad en waren ze niet allemaal goed bevallen. 

‘Leuk hoor, Jordy. Goed. Een poes dus. Ja, dat is gezellig hè? Ook een beetje aanspraak. Dan is er toch iemand wanneer je thuiskomt, nietwaar? Met een poes erbij ben je niet alleen. Is het huis niet zo leeg. Heb je een beetje aanspraak wanneer er niemand is.

 

Jordy keek onrustig om zich heen. Langzaam liep hij door het middenpad. Bij één van de kooien bleef hij staan en hurkte neer. Zijn knieën knakten. Weer die pezen, dacht Tina. Het is een pezig kereltje, die Jordy. Alleen heeft ie ze niet allemaal onder controle. Net als wat andere delen van zijn lijf.

‘En het zal nu best rustig zijn bij jou thuis, lijkt me. Ik denk niet dat er veel mensen bij je over de vloer komen.’ Jordy stond op, zijn knieën knakten nog maar eens. 

‘Ik ga er nog even over nadenken, denk ik’, stamelde hij. 

Zijn ogen zochten de uitgang. Goed zo, vriend. Voel de drang om te vluchten, maar weg ben je nog niet.

‘Nadenken. Hmm, ja, dat is misschien een goed plan. Even nadenken voor je een verbintenis met een poes aangaat. Die wordt afhankelijk van je. Die gaat om je geven. En niet alleen omdat je haar eten of speeltjes geeft. Die dieren zijn super-éénkennig, weet je. Dan kun je niet tegelijk met een ander dier het nest induiken, Jordy. Daar moet je inderdaad heel goed over nadenken.’

‘Sorry, ik moet gaan. Dit was misschien niet zo’n goed idee.’ Jordy liep snel naar de uitgang. Angstvallig probeerde hij Tina’s ogen te ontwijken. En dat was maar goed ook. Net als bij getraumatiseerde honden zou Tina bij direct oogcontact wel eens echt kunnen bijten, zo geagiteerd was ze inmiddels wel. Tijd voor een laatste tik met de scherpe nagels.

            ‘Je bent een klootzak, Jordy. Jordy van Love Beach. Zoals jij Tamar hebt besodemieterd en haar dat doodleuk aan het einde van de serie voor heel tv-kijkend Nederland onder de neus wreef is echt, echt schandalig. Haar hart brak waar we allemaal bij zaten. En ze had al zoveel meegemaakt. Hoe durf je? Ga je schamen, man!’

Jordy gaf geen antwoord meer. Hij dook door de deur, gooide de hoody over zijn mutsje en liep met handen in de zakken van zijn joggingbroek weg. Door de open deur riep Tina hem na. Haar stem galmde als een dominee op zondag door de ontvangsthal. 

‘Ja! Loop maar weg. Ontloop het maar. Als je maar weet dat er hier geen poes, kat of konijn voor je bij zit. Je kunt er toch niet voor zorgen. Eikel!’

 

Hij was weg. De puber achter de balie grijnsde. Ook hij had de reality-ster herkend en stak zijn duim op naar Tina. ‘Way to go sister!’

Trots op zichzelf en vol adrenaline stortte Tina zich op het opruimen van kattendrollen.  Het duurde een hele sonate van Purcell voordat haar hart weer tot rust was gekomen. De rekening was vereffend. Een daad was verricht. De poezen liepen rustig door de kooien. Hen was een gebroken hart bespaard. Dankzij Tina.

             

 

maandag 29 maart 2021

#23 Wat heb jij hier?


#23 WAT HEB JIJ HIER?

(172,37 km, Perwijs)

 

‘Wil jij wijn?’ 

‘Ja, doe maar’.

‘Wat wil je? Wit, rood, rosé, bubbels of zullen we een Aperol Spritz nemen?’

‘Nee, doe maar wit.’

‘Chenin blanc, pinot, chardonnay, sauvignon, chablis, viognier?’

‘Doe maar een pinot. Man, wat is het warm. Er staat ook geen zuchtje wind.’

‘Ik zal zo de ventilator deze kant op halen.’

‘Ja graag, dat helpt wel iets denk ik. Daar moeten we toch eens wat op verzinnen.’

‘Wat?’

‘Nou, dat je dat ding dan helemaal hierheen moet zeulen. Dat is toch super onhandig?’

‘Misschien kan ik hier iets in laten bouwen. In dit muurtje zeg maar. Kan ik wel eens vragen aan Ton, als ie het zwembad komt schoonmaken.’

‘De liner begint alweer een beetje vies te worden, zie je dat?’

‘Waar?’

‘Daar, bij het putje.’

‘Verdomme.’

‘Heb jij de steaks nog uit de vriezer gehaald?’

‘Heb ik net in de magnetron gelegd.’ 

‘Je kunt ze toch ook buiten leggen?’

‘Dit gaat sneller, ze moeten ook nog in de marinade. Ga ik zo maken. Eerst een wijntje.’

‘Wat heb jij hier?’

‘Wat?’

‘Hier, bij je arm. Een soort vlekje.’

‘Weet ik veel.’

‘Dat heb ik nog nooit gezien. Jeukt het?’

‘Nee. Het is niks. Ik ga zo de Weber invetten. Wilde jij nog geroosterde bloemkool erbij maken?’

‘Ga ik zo doen.’

 

‘Hoe laat zijn ze hier?’

‘Rond vijf uur, we zouden eerst borrelen.’

‘Oh ja. Nemen ze Philip nou mee of niet? Ik hoop het eigenlijk niet hoor.’ 

‘Haha, het is wel een wijsneus aan het worden.’

‘Moest die niet naar paardrijles of zo?’

‘Ach ja, het is natuurlijk vrijdag. Anja zei het. Eerst borrelen en dan ging ze hem even halen.‘

"Vandaag mocht ik op Silver, ome Bram. Silver is het moeilijkste paard”. Mijn god.’

Dus die eet ook mee. Maar geen vlees hè. Hij is nog steeds vegetariër. Kijk even in de vriezer, volgens mij ligt er nog een notencarré.’

‘Tjongejonge, kan dat kind geen friet halen?’ 

 

‘Waar is trouwens de afstandsbediening van het zonnescherm gebleven?’

‘Die lag hier toch net. Je gaat hem toch niet omhoog doen? We gaan zo op daar op het terras zitten als ze er zijn. Ik zit hier helemaal weg te branden, Bram.’

‘Nee, maar hij moet nog een stukje verder naar beneden kunnen. Zie je. Hier, hij moet eigenlijk helemaal tot hier naar beneden. Ik heb de knop helemaal tot het einde ingedrukt. Hoe kan dat dan? Waar is dat ding?’

‘Ik weet het niet, ligt ie niet op het tafeltje?’

‘Nee, dat zie je toch. Zit jij erop? Ga eens aan de kant.’

‘Bram, doe even rustig, dat zou ik toch voelen.’

‘Ga nou even aan de kant, lieverd, misschien ligt ie daar. Hier. Zie je nou. Je zat er wel op.

‘Hij zat tussen de handdoek. Dat voel ik toch niet? Het is echt een raar vlekje hoor. Kom eens hier.’

‘Nee, laat nou maar. Hier, zie je nou, hij gaat niet verder. Kom op. Hoe kan dat nou? Is de batterij nou al leeg? Dat kan toch niet, we hebben ‘m twee maanden. Dan kan die batterij toch niet leeg zijn?’

‘Doet het ook geen pijn dan?’ 

‘Goddomme. Nou zit ie helemaal vast. Hij gaat geen kant meer op. Hier, ik kan alle knoppen indrukken, maar hij doet niks. Ze moeten van die zaak maar komen.’

 

‘Het ziet er zo raar uit. Zat daar niet een moedervlek? Ja toch? Moet je kijken. Helemaal rood. Daar moet je echt even naar laten kijken hoor, Bram. Kom nou eens even hier.’

‘Corinne, wat zeg ik nou? Hou op. Het is niks. Ik heb me waarschijnlijk gewoon gestoten ofzo. Ik voel niks.’ 

‘Waarom mag ik dan niet even kijken?’

‘Omdat het niks is! Dat zeg ik toch.’

‘Nou, sorry hoor, ik ben alleen maar een beetje bezorgd.’

‘Zeur dan niet zo door. Daar zijn ze.’

 

‘Hoi, wat leuk dat jullie er zijn. Kom verder.’ 

‘Nou nou, dat ziet er lekker uit. Hebben jullie de hele dag in het zwembad gelegen?’  

‘Erbij, erbij. Dit is echt het beste plekje van de tuin wat dat betreft. Lekker aan het bad, af en toe even afkoelen. Wat een hitte hè?’

‘Oh, dat lijkt me zo heerlijk, een zwembad in je tuin. En een buitenkeuken ook. Wat een werk moet dat geweest zijn.’

‘Ja, maar het is het meer dan waard hoor.’ 

‘Nou, Bram, we hebben het merendeel natuurlijk gewoon laten doen. Daar moet je zelf niet aan beginnen natuurlijk.’ 

‘Nee, dat snap ik. Dat zeggen wij ook altijd tegen elkaar, maar dan eindigt het toch altijd met Simon die het zelf probeert te doen.’

‘En wat me dan nooit lukt, en dan laat ik het toch weer door een echte vakman doen.’

‘Die stap slaan wij hier over, Simon. Haha.’

 

‘Maar echt jongens, wat is het prachtig geworden zeg. Wat een luxe!’

‘Ik denk ook wel eens; waar heb ik het aan verdiend dat ik in zo’n mooi huis mag wonen? Ik ben echt zo bevoorrecht.’

‘Dat kan ik me voorstellen, dat je dat denkt.’

‘Maar aan de andere kant; het zijn maar spullen hè? Het belangrijkste is natuurlijk dat je gezond bent.’

‘Precies, en gelukkig zijn we dat.’

‘Kom eens mee, Simon. Moet je kijken. Hier. Alles elektronisch. Zie je dat? Het merendeel bestuur ik gewoon via mijn smartphone.’

‘Geweldig. Is dat allemaal met wifi met elkaar verbonden?’

‘Google is mijn allergrootste vriend.’

 

‘Wij wilden net een wijntje inschenken, willen jullie wat?’

‘Doe mij maar een glaasje rosé, als je het hebt.’

‘Voor mij een glaasje wit. Sauvignon Blanc.’

‘Heb je jezelf aan iets gebrand, Bram?’ 

‘Hoe bedoel je?’ 

‘Omdat je hier bij je arm een rood plekje hebt.’ 

‘Wat een rare plek om je aan te branden, man. Heb je toch zelf verf staan afkrabben?’ 

‘Godallemachtig. Nee, weet ik veel. Ik heb geen idee, oké? Goed, tijd voor belangrijke zaken: wijn. Een rosé en een sauvignon. En dan ga ik daarna die Weber eens even goed invetten. Ik ga steaks grillen.’

 

‘Heb ik iets verkeerds gezegd?’ 

‘Nee hoor, maak je niet druk. Kom, dan gaan we lekker op het terras onder het zonnescherm zitten. Het is hier veel te warm.’

 

 

 

maandag 22 maart 2021

#22 Nele's honger.


#22 NELE’S HONGER.

(166,46 km, Geldenaken)

 

Ze moet dit niet doen. Echt niet. Ze is gewoon gegaan. Met de bus. Helemaal vanuit de stad, met de bus naar een dorpje ergens midden in België. Nog nooit was ze daar. Ze heeft het nota bene opgezocht op Google Maps, dat dorpje, dat huis. Ik heb het ook gezien. De ramen waren dicht, het leek wel een spookhuis. Ik vind het echt niet verantwoord. Ze leest toch wel eens een krant, zou je zeggen. Ze kent de verhalen toch? Hoe is het dan mogelijk dat ze het adres vroeg, een afspraak maakte en nu in die bus zit? Ik begrijp dat niet. Ze kent die gast helemaal niet, wie weet wat voor freak het is. Misschien wel zo één die meisjes in zijn huis lokt. Ik heb haar gezegd dat ze niet moest gaan, maar ze was vastbesloten. Zij denkt dat het veilig is, maar wat weet ze nou helemaal van hem? Niets. Helemaal niets. Enkel een naam en dat is niet eens zijn echte. Ik maak me zorgen.

 

Die hakken zijn het allerslechtste idee dat ik in weken heb gehad, dacht Nele. Na drie stappen vanaf de bushalte voelde ze haar kleine teen al afgekneld in de schoen zitten. Vanochtend had het juist nog de beste toevoeging op haar outfit geleken. Ze wilde het simpel houden. De ietwat nonchalante spijkerbroek met daarboven het bloesje was casual, maar toch met aandacht. De hoge hakken zouden het iets elegants, bijna uitdagends meegeven. Niet dat ze meteen iets wilde, maar toch. Die touch mocht het echt wel hebben. Toen ze de bus instapte voelde ze zich mooi, sterk en aantrekkelijk. Nu kon ze enkel aan de blaar op haar teen denken en vervloekte ze haar eigen mode-opvattingen. Ze had op Google toch gezien dat ze vanaf de bushalte nog een stukje moest lopen? Daarnaast had ze ook heus gezien dat de omgeving geen fancy buurt was. Gympen waren goed geweest. Sterker nog: gympen waren beter geweest. In ieder geval, concludeerde ze terwijl ze een berichtje appte, waren die een stuk minder pijnlijk geweest. 

 

‘Ik denk dat ik bijna bij je om de hoek ben. Ik zie meerdere grote huizen en loop vanaf de bushalte jouw kant op. Kun je mij al zien? Ik draag een bruine jas en zwarte broek.’

 

Nele was gewoon heel erg benieuwd. Zij en #DoKong01 hadden nu drie maanden samen online gegamed en vooral veel gechat. De laatste week zelfs nachtenlang. Het begon toen ze samen in een groep last hadden van een persoon die het belangrijk vond om dit platform te gebruiken om ongevraagd allerlei complottheorieën te delen. De meest onwaarschijnlijke en ongepaste opmerkingen kwamen voorbij. #DoKong01 was die avond de moderator van dienst geweest en had goed ingegrepen door de creep de chat uit te gooien.  Na het akkefietje waren ze de rest van de avond met elkaar blijven chatten. Er was meteen iets in het woordgebruik, de scherpe vragen, de humor wat Nele’s interesse wekte. Na jarenlang gamen had ze hier voelsprieten voor ontwikkeld en nu gingen ze af. Hard. Na zes uur chatten logde ze uit en moest ze toegeven dat ze die nacht geen oog meer had dichtgedaan. Hele gesprekken bleven door haar hoofd spoken al had ze geen idee hoe #DoKong01 eruitzag. En dat was al die maanden zo gebleven.

 

Ze heeft dus geeneens een idee hoe hij eruitziet. Misschien is het wel een oude vieze vent. Of een gast die allemaal jonge meisjes naar zijn huis lokt. Het blijft België, nietwaar. Ken je dat verhaal van die man met die meisjes in de kelder? Hoe heet ie ook alweer? Dutroux. Dat was ook daar in de buurt. Ik weet het zeker. Ik kan me zulke dichte huizen herinneren van de nieuwsuitzendingen in die tijd. Ik krijg er nog kippenvel van als ik eraan denk. Waarom doet ze in godsnaam zoiets? Hoe langer ik erover nadenk, hoe sterker het beeld dat ze uitgemergeld en vies in een kelder voor zich uit zit te staren. Mijn god, ik moet haar appen. Wat heeft ze te bewijzen? Je kunt toch ook gewoon naar een café gaan om vrienden te ontmoeten? Ik snap dat niet.

 

Natuurlijk wist ze wel dat ze iets deed wat anderen niet durfden. Het zou zomaar gevaarlijk kunnen zijn. Nele lachte een beetje in zichzelf. Hoe kon het nou gevaarlijk zijn na al die gesprekken die ze samen hadden gehad? En wat zou er nu eenmaal kunnen gebeuren? Ze gingen gewoon een bordspel doen. Pionnetjes en dobbelstenen. Een keertje offline gamen met een kopje thee erbij en verder niets. Tenminste, nog niet. Natuurlijk stond ze wel open voor iets, dat gaf ze eerlijk toe aan zichzelf. Na maandenlang noodgedwongen binnen te hebben gezeten leed ze overduidelijk aan huidhonger, een term die ze meteen omarmd had. Haar ouders werkten allebei veel en woonden ver weg. Daarbij was er al een tijdje een conflict over geld wat maar doorsudderde en waardoor knuffelen met hen sowieso niet meer gebeurde. Die afstand in dat huis, die koude zakelijke omgang, ze gruwelde ervan. Vriendinnen had ze amper en degenen die ze had, hadden allemaal een vriend. Dat maakte het extra zwaar. Steeds zag ze haar vriendinnen knuffelen met hun vriend en om haar heen bleef ruimte. En die ruimte werd leger en kouder en leger en kouder.

 

‘Je staat voor mijn deur zie ik. Gimme a sec, dan kom ik eraan. Sta nu ff boven met iets in mijn handen.’ Smiley met tong uit de mond, emoticon van spierbal, emoticon van slak. Nele glimlachte. Nog heel even en dan is het zover: de ontmoeting, live, face to face. ‘Geen probleem, ik wacht wel even’. Smiley met glimlach, smiley met aureooltje, gifje van wachtende Cookie Monster. Ongeduldig keek ze om zich heen. Het is hier wel een uithoek, dacht ze. Ik snap wel dat je voornamelijk online bent: hier valt geen bal te beleven.

 

Ik vind het ook helemaal niks voor haar om dat zo te doen. Normaal is ze helemaal niet zo’n held. Ze durfde vroeger niet eens het woord te nemen in de klas, kreeg ze meteen een rood hoofd. Ik weet nog goed dat we daar vaak om hebben gelachen. Het voelt alsof we haar kwijtraken. Dagenlang zit ze online op haar kamer en wil niets meer afspreken. Ik begrijp sowieso niet wat je daaraan vindt, dat gamen de hele dag. Het schijnt een hele community te zijn, dat spel dat ze speelt. Wist je dat? Waarschijnlijk heeft ze daarbinnen een heel sociaal leven opgebouwd met mensen die ze niet kent. Goed, ieder zijn ding zullen we maar denken, maar om dan zo’n risico te nemen? Zelf zou ik toch eerst een foto willen zien of een keer beeldbellen ofzo. Dan kun je beter inschatten wat voor een gast het is. Toch?

 

Daar stond ze dan voor de deur van een vreemde. Nele wachtte af en keek naar het huis. Het zag er precies uit zoals ze op Google Maps had gezien. De vitrages gesloten en voor een van de ramen stond een plastic bloemstukje. Boven stond een klapraam open. Erachter zag Nele nog net een pop staan, een action figure, die op streetview niet te zien was. Ze herkende Chewbacca uit Star Wars en gniffelde: hier moet ze wel goed zitten. 

Toen hoorde ze achter de deur iemand snel de trap af rennen. ‘Moment! Ik kom eraan!’ In de weerspiegeling van het ruitje van de voordeur zag ze haar eigen gespannen gezicht. Ze blies flink uit en fatsoeneerde nog even de lok van haar lange bruine haar. Toen klonk het geluid van een tweetal sloten die open werden gedaan. Het gordijntje achter de voordeur bewoog en er verscheen een schim. De spanning werd haar bijna te veel toen de deur zich langzaam opende. 

‘Hoi, jij moet Nele zijn, wat leuk dat ik je eindelijk eens in levenden lijve zie. Grappig, je ziet er eigenlijk best wel uit zoals ik me je had voorgesteld’. Neles adem stokte. Dit was zelfs beter dan dat zij zich had voorgesteld. Veel beter zelfs. Voor haar stond het mooiste, werkelijk het allermooiste meisje dat ze ooit zag. 


Op dat moment hoorde Nele dat er een appje binnenkwam. Het was Sarah. Nele had even geen tijd om te reageren. Straks, straks zou ze terugschrijven dat het goed met haar ging. Heel goed zelfs. Het allermooiste meisje draaide zich om en liep naar boven de trap op. ‘Kom verder, kom verder’, zei ze. En lachend volgde Nele het meisje en haar blonde vlecht mee naar boven terwijl in haar buik vlinders vrolijk mee de trap opvlogen.

 

 

 

 

 

 

 

 

maandag 15 maart 2021

#21 Ontvreemd huis.

 



#21 ONTVREEMD HUIS.
(160,78 km, Zittert-Lummen)

 

 

‘Goedemiddag meneer.’ 

‘Goedemiddag.’

‘Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Ik wil graag een melding maken van een diefstal.’

‘Oei, dat is niet zo mooi.’

‘Inderdaad.’

‘En wat kan ik opschrijven dat is ontvreemd?’

‘Mijn huis.’

 

‘Pardon?’

‘Mijn huis. Mijn huis is gestolen.’

‘Bedoelt u uw camper? Uw tent? Uw caravan?’ 

‘Neen, mijn huis zeg ik toch?’

‘Mijn excuses. Uw huis. En waar stond uw huis?’

‘Net buiten het dorp meneer. Vlak voor een stukje bos. Het bos is er nog, het huis is weg.’

‘En sinds wanneer mist u uw huis?’

‘Sinds vanochtend. Ik kwam terug van een zakenreis. Ik zit in de uienteelt, moet u weten. Ik was een weekje naar Geneve en toen ik vanochtend mijn oprijlaan op wilde rijden was het weg.’

‘Uw huis?’

‘Ja, en mijn oprijlaan.’

‘Uw oprijlaan is ook ontvreemd?’

‘Inderdaad meneer.’

‘Zet ik er dat even bij. Nog meer?’

‘Ik kon het slecht zien vanochtend aangezien het nog donker was, maar toen het begon te schemeren werd het duidelijker. Alles is weg.’

‘De oprijlaan, uw huis, uw…’

‘Schuurtje, tuin, badkamer, dak, wandmeubel, spouwmuur, afvoerputje, bijkeukentegels…’ 

‘Momentje, zo snel schrijf ik niet…afvoerputje, bijkeuken…’

‘..tegels.’

‘Bijkeukentegels.’

‘Schrijft u nu maar snel op dat alles weg is. Och och, als ik er nog lang over nadenk wordt het enkel maar pijnlijker.’

 

 

‘Was er nog iets blijven liggen of…’

‘Enkel zand en wat losse stenen van de fundering. Verder niets.’

‘Tja, dat is inderdaad niet veel.’

‘Zegt u dat wel.’

‘Maar de rest van het perceel was er nog?’

‘Ja, het hele stukje bos stond er nog. Maar mijn hele huis, weg.’

‘Wilt u een glaasje water?’

‘Ja, heel graag.’

‘Het is ook niet niks, dat begrijp ik. Gaat het weer een beetje?’

‘Dankuwel.’

‘Dan gaan we verder. Ik moet dit even vragen. Heeft u enig idee wie dit gedaan zou kunnen hebben?’

‘Neen. Er waren wel regelmatig mensen die naar mijn huis keken. U moet weten dat het een erg mooi huis was, met ornamenten op het plafond en klimrozen tegen de gevel. Sommige mensen vonden het zo mooi dat ze er foto’s van maakten. Ik heb zelf altijd vermoed dat dit toeristen waren. Je hoort wel eens dat die hier in de buurt komen. Toeristen maken foto’s zodat ze later nog eens terug kunnen kijken waar ze geweest zijn. Dat lees je wel eens. Maar het lijkt me erg sterk dat een toerist mijn huis meegenomen heeft.’

‘Dat past ook niet in een rolkoffertje!’

‘Neen, inderdaad…’

 

‘Mijn excuses, ik maakte een grapje, maar dat is nu een beetje ongepast.’

‘Het is al goed. Het is alleen dat het zo’n bijzondere aanblik geeft, zo’n leeg kavel. Zo staat je waterkoker er, zo is ie weg. Bij wijze van spreken dan. Want een huis betekent natuurlijk wel iets meer dan alleen de plek waar je waterkoker staat.’

‘Dat begrijp ik. Het bed bijvoorbeeld.’

‘Mijn god. Mijn bed. Dat is natuurlijk ook weg.’

‘Tja, dat zal nog wel even duren. Dat u dingen mist. Ik heb hier een lijst die u kunt invullen. Telkens als u zich iets herinnert dat u ook mist, kunt u dat hier op vermelden, dan weten wij waar we naar uit moeten kijken. Wie weet vinden we het nog. Ik zet er voor nu alvast ‘bed’ op.’

‘Ja, dankuwel.’

 

‘Dan moet ik nog even terug naar de wie-vraag. U bent hier tenslotte op het politiebureau en aan ons is het om uit te zoeken wie uw huis gestolen zou kunnen hebben. Zijn er mensen waarmee u in onmin bent? Die u of uw spullen iets zouden toewensen? Verdriet of gemis bijvoorbeeld?’

‘Ik kan me zo niemand voor de geest halen. De kapper in het dorp heeft me wel eens een kruiwagen geleend die ik wat laat heb teruggebracht. Ik kan me herinneren dat hij daar wat verbolgen over was. Hij had namelijk een aantal laurierstruiken gekocht voor achter in zijn tuin en doordat hij niet de beschikking had over zijn kruiwagen, kon hij ze niet makkelijk planten. Hij heeft toen de struiken achter in de auto gelegd en ze via het grasveld daarheen gereden. Dit was weer funest voor het gazon. Ik begreep heel goed dat hij hier wat boos over was. Ik heb geprobeerd het goed te maken door hem, naast de kruiwagen, ook een doosje gazonmest te geven. Maar goed. Dit alles was zeker acht jaar geleden. En sindsdien zijn we op zeer goede voet met elkaar. Wat denkt u? Zou het kunnen zijn dat hij gisteren wakker werd en er alsnog een punt van wilde maken? En dat het in zijn hoofd zo groot werd, dat hij besloot mijn huis weg te nemen?’

‘Ik acht die kans vrij klein.’

‘Want dat kan natuurlijk wel. Soms word ik ook wel eens wakker met een vervelend gevoel dat ik overhield van een droom. Ik kan daar dan zeker nog een uur last van hebben.’

‘Meneer, ik werk nu twaalf jaar bij de gendarmerie en nog nooit heb ik zoiets meegemaakt. Ik denk niet dat het uw kapper was.’

 

‘Verder zou ik het niet weten.’

‘Zijn er mensen die een grapje met u willen uithalen? Vrienden van het café bijvoorbeeld? Het gebeurt wel eens dat dorpen een beeld of verenigingen een mascotte kwijt zijn. Vaak is het dan een grap, uitgevoerd door een naburige vereniging of groep.’

‘Een grap? U bedoelt dat iemand het wegneemt om mij te laten schrikken en dan later weer gewoon terugbrengt?’

‘Precies. En dat gebeurt vaker dan u denkt. Zeker met grote dingen. Afgelopen jaar verdween er op die manier een bronzen ezel, een touringcar en een marmeren plaquette. Allemaal als grap. Dus denkt u eens na. Zijn er mensen in uw omgeving die u een poets willen bakken? Een practical joke? Heeft u een hobby, een club waar u vaker bent?’

‘Ik ga nooit op cafe. Een pint drink ik thuis wel. Daar ben ik veel te druk voor. En daarbij hou ik van de stilte. Verder verzamel ik oud keukengerei. Och nee, die ben ik ook kwijt. Mijn verzameling!’

‘Ik schrijf het op de lijst. Oud keukengerei.’

‘Maar dat verzamelen, dat doe ik alleen. En ik tennis.’

‘Aha. Tennis.’

‘Tja. Ik heb me op mijn veertigste bedacht dat ik ook af en toe lichaamsbeweging nodig heb. Het werd tennis, aangezien er een vereniging van om de hoek zit.’

‘Zeer gezond. Maar ook sociaal. Dat zijn getapte, gezellige mensen; mensen die tennissen. Die houden wel van een grapje.’

‘Vertelt u mij wat. Ik ben er ook enkel om te sporten. Verder niet. Men spreekt er frans.’

‘Is dat bijzonder?’

‘Neen, maar u hoort het. Ik ben van origine Vlaamstalig en ben dan ook geneigd dit te spreken.’

‘Maakt men daar een probleem van?’

‘Neen, geen probleem. Maar men wil mij er wel mee plagen.’ 

‘Ze maken grappen, bedoelt u?’

‘Ach, plagerijtjes. We zitten hier tenslotte op de grens.’

‘Gebbetjes? Kwinkslagen? Gekkigheitjes? Geintjes? Geestigheden?’

‘Zo zou je het kunnen noemen. Ik laat ze maar. 

 

Maar wacht. Wacht eens even. Bedoelt u nu wat ik denk dat u bedoelt?’

‘Het zou zomaar kunnen.’

‘U bedoelt dat de mensen van de tennis met mij een grap uithalen?’

‘Ik acht het mogelijk.’

‘Dus het zou kunnen dat, terwijl wij hier spreken, mijn huis weer terug wordt gezet?’

‘Het zou een goede grap zijn.’

‘Daar zouden ze me inderdaad tuk mee hebben.’

‘Hoe laat ontdekte u dat het huis verdwenen was?’

‘Vanochtend om zeven uur.’

‘Het is nu bijna twee uur. Bent u in de tussentijd nog daar geweest?’

‘Neen, ik moest hier wachten op mijn beurt aangezien er nog twee mevrouwen voor mij waren.’

‘Ach ja, mijn excuses nog daarvoor. Maar we zijn inmiddels dus alweer uren verder. Wellicht is het goed even te gaan kijken.’ 

‘Laat ik dat doen, dan bel ik u wanneer ik er ben.’

‘Doet u dat.’

 

 

‘Goedemiddag brigadier. Nou, u raadt het nooit.’

‘Het huis staat er weer?’

‘Het staat er weer. Alsof er niets is gebeurd. In de tuin staat een bord. Groot staat erop; ‘ici on parle Wallon.’

‘Hier spreken wij Waals.’

‘ik weet wat er staat. Ik spreek ook frans. U had gelijk, het was een grap. Ik lach me werkelijk suf.’

‘Dus u kunt het wel waarderen?’

‘Dat niet. Ik heb besloten het dorp de rug toe te keren. Morgen ga ik eens een kilometer verderop kijken voor een kavel. Als het zo makkelijk is het huis weg te nemen, pak ik het zelf op en zet ik het ergens in Vlaanderen. Dan zoek ik daar wel een tennisclub. Heel erg bedankt.’

‘Succes meneer. En neem het niet te zwaar.’

‘Welnee. Ik weet het nu. Mensen die tennissen, die houden van een grapje.’ 

 

 

 

 

maandag 8 maart 2021

#20 Aan het eind van Welkom.

 


#20 AAN HET EIND VAN WELKOM.

(153,10 km, Tienen)

 

Pats. Het volle glas Stella Artois spatte vlak boven zijn hoofd uiteen tegen de muur. Ronnie dook net op tijd ineen. Stukjes glas landden op zijn schouders en in zijn haar. Bier droop langs oude reclameborden en over een aankondiging van de plaatselijke toneelvereniging waarvan de voorstelling al drie weken geleden was gespeeld. Gelijk was er rumoer in café Welkom. Twee andere gasten schoten in een reflex omhoog en doken in de hoek bij de flipperkast. 

Hé! Hé! Hé’, klonk het van achter de bar. Bruut werd het overstemd door de bulderende stem van Stefaan. 

‘Zeg sorry! Zeg sorry, zeg ik! Wat? Oh ja? Oh ja?’ De forse dertiger liep een paar stappen naar voren en hief allebei zijn armen uitnodigend in de lucht. ‘Kom dan. Kom hier dan. Wees een vent en kom godverdomme hier zeg ik. Dat ik je voor je grote bek sla.’

            Met één beweging gooide hij het tafeltje voor de neus van Ronnie aan de kant. Het volle glas de Koninck sloeg samen met de asbak stuk op het biljart. Snuivend sleurde Stefaan hem bij zijn jasje uit de bank en nog voor de tengere garagehouder het doorhad, kreeg hij een stomp recht op zijn oog. Deze kwam zo hard aan, dat hij door zijn knieën zakte. Versuft landde hij tussen glassplinters en bier. 

 

            ‘Mannen, alsjeblieft!’ Axel liep achter de bar vandaan en probeerde het nog te sussen. Na dertig jaar het café te hebben bestierd kende hij dit soort voorvallen wel.  Tussenbeide springen had geen zin meer op zijn leeftijd, maar zijn grijze haren en vaderlijke houding gaven hem aanzien. Tenminste, normaliter wel.

            Axel had gezien dat Ronnie binnen was gekomen. En hij wist ook dat Stefaan naar het toilet was. Het viel hem al op hoeveel hij het afgelopen uur op zijn horloge had zitten kijken. En die drie pinten waren er ook iets te snel ingegoten. 

‘Gaat het goed, Stefaan?’ had Axel voorzichtig gevraagd terwijl hij de koelkastjes onder de bar aan het bijvullen was. Stefaan had kort gegromd en nog een vierde pint besteld. Axel had het er maar bij gelaten, maar toen Ronnie binnenstapte begreep hij meteen wat er aan de hand was. Het was simpele pech dat deze onvermijdelijke confrontatie nu precies in zijn café moest gebeuren. Dit gevecht zat er aan te komen. Al weken.

 

Ronnie had blijkbaar iets tegen de politie gezegd over wat er zoal achter in de kofferbak van de Honda van Stefaan lag toen hij voor een onderhoudsbeurt kwam. Stefaan had er problemen met justitie door gekregen. De geldboete die hij kreeg was niet leuk geweest, maar was nog wel te dragen. Lastiger was dat hij daardoor ook gedonder met zijn ouders kreeg en zijn vriendin na een avond vol ruzie bij hem wegliep. Kortom, het ging in die tijd niet zo goed met Stefaan en daarom zag Axel hem vaker dan goed voor hem was. Flink wat zware bieren had de eens zo vrolijke jongen aan de bar zwijgend weg zitten drinken. 

Juist de afgelopen twee weken dacht Axel dat de jongeman het weer een beetje voor elkaar kreeg. Hij was weer in gesprek met zijn ouders, en vorige week zaterdag was er aan de rand van de bar iets moois opgebloeid tussen hem en slagersdochter Angèle. Het was lang geleden dat hij Stefaan zo had zien lachen. Axel voelde zich een beetje vader voor de vaste gasten en hem te zien lachen deed hem goed. Vrolijk had hij die avond schaaltjes garnalenkroketjes op de bar gezet. Van het huis.

 

Nadat Ronnie was opgekrabbeld, leek er geen houden meer aan. Alsof het twee honden waren rolden, gromden en blaften de mannen door het ooit zo drukke biljartcafe. Niets bleef gespaard. Axel probeerde van een afstandje de jongens tot bedaren te brengen, maar de agressie was zo groot, dat hij nodeloos moest toezien hoe de inboedel van zijn café vakkundig aan gort werd geslagen. 

Stefaan landde na een trap tegen de schenen en een duw met zijn rug op het biljart. Woest trok hij de lamp die erboven hing van het plafond en probeerde wild zwaaiend Ronnie te raken waarbij hij de trofeeënkast van de muur sloeg. Ondertussen trok Ronnie de zware spaarkas van de muur, slingerde die het café in en raakte vol de schouder van Stefaan. Hij brulde het uit van de pijn. 

 

Niets bleef gespaard. Tafels, stoelen, de kapstok, de flipperkast, alles sloegen ze tot splinters en glas. Het was een chaos. De twee andere gasten waren inmiddels naar buiten gevlucht en sloegen het gevecht gade vanaf de andere kant van de straat. Uiteindelijk duwde Stefaan de versufte en bloedende Ronnie met luid gerinkel door de ruit van het café. Het bleek het slotakkoord. Kermend bleef de man op het stoepje liggen. Stefaan stapte zwijgend met grote passen naar buiten, spuugde nog even op de garagist en liep vloekend weg. De gasten ontfermden zich over Ronnie en namen hem mee naar dokter Verhaegen om de snee boven zijn hoofd te laten hechten. 

 

Axel bleef alleen achter in cafe Welkom. Zwijgend keek hij om zich heen. Het was een ravage. Niets was nog heel. Het leek alsof er een orkaan door de kleine ruimte was getrokken. De vloer was bezaaid met glas, stukken hout, bloed, reclameborden en bierflesjes. Axel wist het. Dit was de druppel. Er was simpelweg niets meer van het café over. Hij had geen puf meer om het op zijn oude dag opnieuw op te bouwen en besloot hier, tussen de resten van wat ooit zijn gezellige cafeetje was, dat zijn leven als cafébaas eindigde. 

 

In het schuurtje achter het café vond Axel een doosje. Ooit hadden er bierglazen in gezeten van brouwerij de Ryck in Herzele. Mooie hoge rechte glazen met een ribbeltje die een stootje konden hebben. Axel kon nog steeds genieten van de schoonheid van een goed glas bier. Perfect geschonken in een schoon glas, pronkend naast het flesje, etiket trots vooruit. Zo moest het, niet anders. Tweehonderdvijfenzeventig soorten had hij ooit op voorraad gehad. De laatste jaren kwam hij niet verder dan zeventien, maar dat waren wel de pareltjes. Liefde had hij erin gestoken. Al de liefde die hij bezat en nu was alles kapot. In elkaar getrapt door zijn eigen gasten die hij als die tijd als zijn zonen had beschouwd. Het moest blijkbaar zo zijn.


Axel liep met het doosje het café binnen en begon de medailles en bekers van de grond te rapen. Dit eerst maar, dacht hij. Het is gewoon heiligschennis om ze zo op de vloer te laten liggen. Voorzichtig zette hij de bekers die verspreid door de zaak lagen naast elkaar in het doosje. ‘Tweede prijs carambole heren Hoegaarden’ was nog heel, ‘eerste prijs najaarswedstrijd Zuurbemde’ mistte een zilveren biljartertje en de ‘zesde prijs teamwedstrijd 2003 Leuven’ was in tweeën gebroken. Hij moest met de mannen van de biljartclub maar eens op zoek naar een nieuwe plek. Helaas. Dertig jaar waren ze hier Welkom geweest.