maandag 23 mei 2022

#83 Alien in de bijkeuken.

 


#83 ALIEN IN DE BIJKEUKEN.

(552,76 km, Tigy)

 

‘Ja, lieverd, met je moeder. Ben je er echt niet of hoor je de telefoon niet? Ik moet je dringend even spreken. Je vader is er niet en ik heb een dingetje hier. Verdorie, waarom neem je nou niet op? Wil je me terugbellen als je dit hoort?’

 

‘Mam?’

‘Goddank, je bent er. Lieverd, het is zover. Ze zijn er. Net nu je vader met ome Toine naar de bouwmarkt is en hij zijn telefoon is vergeten.’

‘Wie zijn er?’

‘Ze. Ze zijn er. Ik heb het al die jaren gezegd en jullie verklaarden me voor gek. Nee, laat die gekke moeder maar kletsen. Die heeft ze niet op een rijtje. Die gelooft in dingen die er niet zijn. Maar ik had wel gelijk. Ik ben echt niet gek. Het is zover en ze zijn hier.’

‘Wie mam?’ 

‘De aliens lieverd. De mannetjes uit de ruimte. Marsmannetjes, buitenaardse bezoekers. Net nu, precies hier en net nu je vader weg is.’

‘Doe normaal mam. Aliens bestaan niet.’

‘Oh nee?’

‘Nee mam. Hoe vaak moeten we het nog zeggen? Je kijkt te veel televisie. Die figuren in het maisveld komen gewoon door boer Teunissen die met zijn trekker rondjes rijdt. Voor de grap, dat zegt hij toch zelf.’

‘Dat zal allemaal best en jullie kunnen alles van me vinden en boer Teunissen kan lachen wat ie wil met zijn lelijke kop, maar toch zijn ze er.’

 

‘Goed, oké. En hoe weet je dat dan mam?’

‘Omdat ie in de bijkeuken aan tafel zit.’

‘Wie? Boer Teunissen?’

‘Nee, die alien.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Wat ik zeg. Ik loop een half uur geleden naar de bijkeuken om schone theedoeken in het kastje te leggen en toen zat er eentje aan de tafel.’ 

‘Hoe is ie binnengekomen? Heeft ie ingebroken? Ben je in gevaar?’ 

‘Nee, geen gevaar en geen idee hoe hij is binnengekomen. Alles is dicht en ik heb ook niks gehoord. Maar hij doet niks hoor.’

‘Hoe ziet ie eruit?’

‘Gewoon, als een alien. Je weet wel. Beetje wittig, lange dunne benen, groot hoofd, zwarte bolle ogen.’

 

‘Hoe weet je dat het een alien is? Is het niet gewoon weer ome Jan in een pak? 

‘Hij heeft een hele vreemde huid. En ik weet niet eens of het een vrouw of een man is lieverd. Er zit niet iets aan, daar. Helemaal glad, snap je. En die ogen zijn ook veel te groot en te zwart, maar ze doen het wel. Geen stuk glas ofzo. Precies als op die plaatjes in boeken.’

 

‘Oké. En hij zit in de bijkeuken?’

‘Ja, aan de tafel. Hij zit en kijkt naar het tafelkleedje. Af en toe zucht hij diep en schudt zijn hoofd. Hij lijkt wel depressief ofzo. Hoe noem je dat? Terneergeslagen, dat is het woord.’

‘Heb je hem gevraagd wat er is?’ 

‘Ja natuurlijk. Ik heb hem eerst gevraagd wat hij in mijn bijkeuken deed en toen hij geen antwoord gaf heb ik hem gevraagd te vertrekken. Hij bleef gewoon zitten. Hij keek me aan, zuchtte en schudde zijn hoofd. En toen ik vroeg wat er scheelde reageerde hij niet. Ja, dan kan ik er ook niks mee. Dat vond ik vroeger bij jullie ook al zo’n ding. Als je niet zegt wat er is kan ik je niet helpen. En hij ziet er wel uit alsof hij hulp nodig heeft. Ook wel een beetje zielig eigenlijk.’

‘Zit ie er nu nog?’

‘Volgens mij wel. Na een paar minuten ben ik maar gegaan en ben ik jou gaan bellen. Wacht, ik loop er heen.’

 

‘Ja, hij zit er nog. Hallo? Hallo! Waarom zit je daar? Is er iets aan de hand? Ben je niet lekker? Are you sick? Sick? You sick alien? Niets hoor. Weer een diepe zucht. Hij legt zijn hoofd op de tafel. Wat moet ik hier nou mee?’ 

‘Zou hij honger hebben?’ 

‘Geen idee. Heb je honger? Is dat het? Hungry? Wat zou zo’n ding of man of wat is het eten? Iets van een tosti? Of een bakje nootjes, beetje hartig?’

‘Ik weet het niet mam. Hoe laat komt papa thuis?’

‘Weet ik het. Die loopt nu al een uur met Toine door de bouwmarkt omdat ie zo nodig een bakje schroefjes moest hebben. Ik zeg hem altijd dat hij zijn telefoon mee moet nemen zodat ik hem kan bereiken als er wat is. Zul je net zien. Och. Och toch. Kijk dan toch.’

‘Wat is er mam?’

‘Dat is nou toch wat. Hij huilt. Het marsmannetje huilt en er druppen dikke tranen op het kleedje. Ik heb nooit geweten dat aliens kunnen huilen.’

‘Ik heb nooit gedacht dat aliens überhaupt bestaan mam.  Eigenlijk heb ik nog steeds mijn twijfels.’

‘Hij gaat staan. Gut, hij lijkt wel twee meter dertig ofzo. Hé, jungske toch. Niet je schouders zo laten hangen. Kom op. Het valt allemaal wel mee. Ga eens gewoon rechtop staan. Allez, kom. Nou nou, wat een diepe zucht.’

‘Mam, wat doe je?’

 

‘Daar kan mijn moederhart niet tegen hoor, tegen die tranen. Kom hier. Goed zo, veeg de traantjes maar weg. Gaat het weer?’ 

 

‘Ik denk dat ie weggaat. Ja, hij loopt weg. Even kijken waar hij heen gaat. Wacht even. Weg. Hij is nergens meer te zien. Hoe kan dat? Nergens een spoor van een ruimteschip. Dat is nou jammer. Dat had ik toch graag gezien.’

 

‘Nou, wel fijn dat hij uit zichzelf wegging. Zal ik even naar je toekomen? Ben je erg geschrokken?’

‘Dat valt wel mee. Je hoeft niet langs te komen want je vader komt zo thuis. Ho, wacht.’

‘Wat is er?’

‘Je vaders telefoon ligt hier naast de tafel. Zou hij hebben willen bellen? ET phone home?’

‘Mam, alsjeblieft. Films zijn niet echt.’

‘Hij heeft toch echt in je vaders telefoon zitten klooien. Even kijken.

 

            …Och nee.’

 

‘Wat?’

‘Nieuws. Twitter. Facebook. De buurtapp. Die arme bleke knul met zijn grote donkere kijkers heeft hier in de bijkeuken van alles zitten lezen. Moet je toch eens kijken wat ie allemaal voorbij heeft zien komen. Daar word je wel verdrietig van. Allemaal ellende en dom gescheld. Ik roep al tijden tegen je vader dat dat niet gezond is, dat ie daar niet gelukkig van wordt en nou zie je dat ik gelijk heb. Het is een heel slecht visitekaartje. Verdikkeme, begrijp je wat dit betekent? We hebben de marsmannetjes ermee weggejaagd en nou komen ze nooit meer terug om ons te redden.’ 

‘Mam toch.’

 

‘Lieverd, kom toch maar even langs. Zet ik koffie en nemen we een appelpunt uit de vriezer. Dat kan ik nu wel gebruiken.’

maandag 16 mei 2022

#82 Een week verliefd.


 


#82 EEN WEEK VERLIEFD.

(528,39 km, Sigloy)

 

 

MAANDAG. 

Als de jongen gaat zitten zet hij zijn tas naast zich neer, ritst zijn jas open en wanneer de bus sist, schudt en vertrekt heeft hij zijn geplette boterhammenzakje al onderuit de rugzak gepakt. Zijn boterhammen hebben weer eens klem gezeten tussen de boeken. De ene met kaas heeft het aardig gehouden maar die met hagelslag is plakkerig verspreid door het zakje. 

Kauwend op losse stukken boterham kijkt hij door de ramen van de bus naar buiten waar de regen op de straten slaat. De komende twintig minuten kent hij elke straat en elk huis die de bus passeert. Al drie jaar rijdt hij deze route en afhankelijk van tussenuren soms wel twee keer per dag. Hij is niet het type dat op school blijft hangen. Liever zit hij thuis op zijn kamer.  

 

            Bij halte Vreestraat stappen mensen in. Er klinkt geluid van het inklappen van een paraplu en geschuifel van natte regenbroeken. Men moppert en maakt grappen tegen de chauffeur over het vreselijke weer. Stuurs blijft de jongen naar buiten kijken wanneer hij in zijn ooghoeken ziet dat er iemand tegenover hem gaat zitten. Hij wacht een poosje en kijkt dan even naar het hoofd dat gehuld in een natte capuchon in een tas zit te rommelen. Twee handen halen een appel uit de tas en leggen hem in een doorweekte schoot. De twee handen trekken de capuchon naar achteren en wrijven zich dan droog op de zitting van de stoel. Hij kijkt op en kijkt recht in twee donkerbruine ogen. Een sliert haar hangt nat over een wang en een mond zegt hallo waarna hagelwitte tanden een stuk uit de appel bijten. De mond hapt, kauwt en lacht dan. De ogen blijven kijken. Het is het mooiste dat hij ooit zag. Hallo mompelt hij terug en kijkt dan snel naar buiten. Zijn hart klopt in zijn keel. Wat moet hij zeggen? Moet hij iets zeggen? Zegt hij iets of niets? Niets zegt hij. Hij kijkt uit het raam, hopend op een donker stuk zodat in de spiegeling de jonge vrouw te zien is. Wanneer hij weer even kijkt zijn de ogen gericht op de neuzen van twee felgekleurde sneakers.

            Na tien minuten staat ze op bij halte Rijnstraat. Wanneer de smalle handen de capuchon weer opzetten, zoeken de ogen weer zijn blik en zodra ze deze vinden, knijpen ze lachend samen tot spleetjes. Dag, zegt de mond. Het is het mooiste dat hij ooit hoorde. Dag, mompelt hij terug waarop ze snel de bus uitstapt. Vijf minuten later klopt zijn hart nog steeds snel en de rest van de dag komt er niets uit zijn vingers.

 

DINSDAG

Vandaag is de lucht grijs maar regent het niet. Er is dus geen reden voor een capuchon, denkt hij. Hij is weer op weg naar school en heeft vandaag het eerste uur Engels. I’m driving to school in a bus. Yesterday I also went to school by bus. Then there was a girl with an apple. The day before yesterday she wasn’t there, yesterday she was. Wil she be here today? 

 ‘Volgende halte Vreestraat’, roept de stem van het bandje in de bus. Een klein hondje draait zich zenuwachtig een paar keer rond in zijn maag. Het wil maar niet rustig gaan liggen. Wanneer de bus sissend stopt en de deuren opengaan stapt alleen een man met een grijzende baard opgewekt de bus in. Hoewel hij toch echt geen jonge man meer is lijkt hij te huppelen en ook zijn jas en schoenen horen niet bij zijn leeftijd. Dan sluiten de deuren zich weer. Buiten de oudere jongeman stapt er niemand in bij halte Vreestraat. Al regende het niet, toch was het een donkergrijze dag. Later die dag verprutst hij ook nog zijn Engelse toets, maar dat kwam omdat hij er niet voor geleerd had. Tenminste, dat denkt hij. 

 

WOENSDAG

Gewend de ochtend strak te plannen houdt hij ervan te ontbijten in de bus. Naast zijn boterhammen zit er vandaag ook een rolletje pepermunt in zijn tas. Hij had al drie boterhammen met pindakaas gesmeerd toen hij zich later bedacht dat het nog wel eens flink smerig kon zijn om tegenover iemand te zitten die pindakaas eet. In het geval dat ze tegenover hem gaat zitten zal hij snel een pepermuntje in zijn mond steken. Voor de zekerheid heeft hij onderweg naar de bushalte er al eentje los in zijn zak gedaan zodat hij het snel kan pakken. Tenzij ze instapt uiteraard, want gisteren was ze er niet. 

 

Ze moet ongeveer zijn leeftijd zijn, maar op school heeft hij haar nog nooit gezien. Gisteren zocht hij tijdens wiskunde op een kaart de scholen in de buurt van halte Rijnstraat. Het bleken er zeker tien, van scheepsmetaalbewerker via financieel hulpverlener tot psychologie. Het kan van alles zijn, al vermoedt hij niet dat ze groenvoorziening doet. Daarvoor zijn haar handen te delicaat. Te smal. Te zacht. Te prachtig.  

Nu de bus in de buurt van de Vreestraat komt steekt hij bij voorbaat zijn hand in zijn jaszak. Hij voelt het pepermuntje zitten, maar dit keer rijdt de bus de halte zelfs zonder te stoppen voorbij. Niemand stapt uit, niemand stapt in. Ook niet iemand met een capuchon, bruine ogen, smalle handen en een mond die hallo zegt. En dat vindt hij jammer.

 

Wanneer hij wat later zuchtend de Molenstraat in kijkt ziet hij haar plots lopen. Of vergist hij zich en wil hij dit gewoon graag? Dit keer draagt ze geen regenkleding maar een halflange crèmekleurige jas en een grote shawl. Haar droge bruine haren hangen over haar schouders en dansen terwijl ze loopt. Ze moet het wel zijn. Hij herkent het loopje dat hij ook zag toen ze maandag wegliep in de Rijnstraat al waren haar schouders toen iets meer opgetrokken geweest omdat het regende. Nu lijkt ze te flaneren, of hoe noemen ze dat? Misschien loopt ze gewoon naar de winkel en denkt aan koffiefilters en venkel. In zijn hoofd klinkt een muziekje. Iets kleins. Jazz met een xylofoon. Ze moet het zijn. 

Hij vraagt zich af of ze hier ergens woont. Maar waarom stapt ze vandaag niet in? Is ze ziek? Nee, want dan zou ze hier niet lopen. Heeft ze wisselende uren? Het zal wel. Verwarrend allemaal, denkt hij terwijl hij zijn tweede boterham met pindakaas eet. Het plakt tussen zijn kiezen en waarschijnlijk stinkt hij uit zijn mond. Het boeit hem niet. Zij loopt in een ander deel van de stad en aan alle andere mensen heeft hij sinds maandag geen enkele boodschap. 

 

DONDERDAG

Vandaag zit hij zo ver mogelijk achterin omdat een grote groep vrouwen van middelbare leeftijd verspreid over de voorkant van de bus is gaan zitten. Ze lijken veel op elkaar en hij vermoedt dat het zussen zijn. Zonder uitzondering dragen ze een rugzak en praten veel en hard in dialect. Al snel wordt duidelijk dat ze een dagje naar Amsterdam gaan dus tot het station zal dit gekakel zeker duren. Via de spiegel bij de bestuurder houdt hij bij elke halte zijn ogen op de sissende deur. Zo ziet hij dat bij de Vreestraat als eerste de crèmekleurige jas naar binnen stapt en vervolgens door het middenpad de bus in loopt. Hij kijkt haar aan, hopend dat ze hem ziet zitten, maar de plek die hij koos was niet voor niets ver weg. Hoezeer hij ook zijn best doet, ze kijkt volkomen langs hem heen. Wanneer ze gaat zitten op een lege plek naast een van de vrouwen duikt ze meteen in haar telefoon en zet haar oortjes nog wat steviger vast in haar oren. Die kleine, ronde oren waar ze het bruine haar met een snelle beweging achter steekt. Nu pas ziet hij een kettinkje om haar hals. Die ranke hals. Hij zit te ver weg om een hanger te zien.

Ze ziet hem niet. Hij kijkt naar haar zonder de moed om op te staan. Zonder het lef haar te roepen en te wenken. Zonder ook maar enig greintje heldhaftigheid om door het middenpad te wandelen en naast haar te gaan zitten. Alles in hem roept hallo hier ben ik. Niets van dat hallo hier ben ik is aan hem te zien, laat staan te horen. Bij de halte Rijnstraat staat ze op en loopt ze een meter in zijn richting naar de deur. Als ogen konden roepen deden die van hem dat nu luidkeels. Ze kijkt richting de chauffeur en roept dankuwel wanneer hij de deur voor haar opent. Haar stem klinkt als een orkest met zwierende violen en deinende klarinetten. Dankuwel. Het is een lied, een chanson vol weemoed en verlangen. Dankuwel. Het zwiert en deint echter niet zijn kant op en wanneer de deuren zich weer sluiten sterft het weg en wordt het vervangen door de tetterende stemmen van de vrouwen. Hij wenst ze hartgrondig naar Amsterdam.

 

VRIJDAG

Vandaag loopt alles precies zoals hij wil. Hij staat op tijd bij de bus, heeft tegen zijn gewoonte in al ontbeten, zijn haar zit perfect en sinds weken schijnt de zon. Ook is er geen paniek in zijn hoofd rondom toetsen of vooruitzichten van lastige sociale verplichtingen. Aan hem zal het vandaag niet liggen. Geïnspireerd door haar heeft hij zelfs voor het eerst oortjes met muziek op zijn oren. Jazz, uiteraard, en het lijkt of de muziek de soundtrack van de dag vormt. Gelukzalig neemt hij zich voor dit dagelijks te doen. Ze heeft hem nu al iets gegeven. Wat zou hij haar hier graag voor willen bedanken. Voor dit en al die fladderende vogels in zijn buik.

Bij het instappen steekt hij de oortjes meteen in zijn tas. Hij wil al zijn zintuigen volledig open hebben wanneer ze instapt. Niets wil hij missen vandaag. Misschien hoopt hij te veel dat ze er weer zal zijn maar zijn voorgevoel zegt dat ze straks zeker weten zonder twijfel en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid instapt. 

Het is rustig in de bus. Enkel een jonge moeder met kind en een oude man zitten nors voor zich uit te kijken. Hij zit op zijn vaste plek en telt de straten tot de Vreestraat. 

 

Mesdagstraat, Korte Steeg, Wilhelminastraat, Heinrich Witte plein, Kerkstraat, Vreestraat.

De deur gaat open en ze stapt in. Zonder jas dit keer. Ze draagt een simpele broek en een shirt dat haar fantastisch staat. Aan haar oor zit haar hand met daarin een mobiele telefoon. Ze luistert nauwgezet en geconcentreerd naar degene aan de andere kant van de lijn. Wanneer ze tegenover hem gaat zitten (hoera, want er zijn voldoende plekken en toch kiest ze weer diezelfde plek maar dat doet hij net zo goed dus eigenlijk zegt dit natuurlijk helemaal niets maar toch is het de moeite waard om even bij stil te staan), kijkt ze hem even recht in de ogen aan en zegt nauwelijks hoorbaar hallo. Even zacht zegt hij hallo terug en hapt naar lucht. 

 

De hele weg naar de Rijnstraat blijft ze luisteren naar de onzichtbare andere. Af en toe stelt ze een korte vraag, maar hij komt er niet achter waar het gesprek over gaat. Iets met een avond, een feest, een aantal vrienden en verwarring over verwachtingen. En over verdriet, teleurstelling en kracht. Ze kan zich veel voorstellen en ze begrijpt veel van de emoties van die ander. 

Voor hem is het een spanningsveld tussen wel naar haar kijken en niet naar haar kijken. Twee keer kijkt ze hem even snel aan, waarvan één keer met een glimlach die nu in zijn geheugen gegrift staat. Wanneer men ooit als archeoloog zijn hoofd opent zal men niet veel sporen uit deze tijd vinden, maar het beeld van die glimlach zal er nog kraakhelder staan. Daar is hij heilig van overtuigd. 

Wanneer ze uitstapt is hij het die dag zegt. Uit zichzelf. Dat heeft hij nog nooit gedaan in een soortgelijke situatie met een vrouw. Ze zegt dag terug en stapt dan de bus uit. Wanneer ze buiten is, kijkt ze nog even over haar schouder. Keek ze naar hem? 

 

ZATERDAG

Nooit eerder was hij op zaterdag liever naar school gegaan, maar vandaag wel. Al was het alleen even met de bus op en neer, maar dat is onzin want de school is dicht en zij zal niet in de bus zitten. Zij heeft immers ook gewoon weekend. Er zit niets anders op dan twee dagen uit te zitten en te wachten tot maandag. 

Onrustig dwarrelt hij van boek naar televisie naar voetbal en avondeten. Deze middag verliezen ze de wedstrijd door zijn onoplettendheid. Hij krijgt de volle laag van zijn teamgenoten maar het doet hem weinig. Het huiswerk blijft liggen, evenals andere klusjes en als zijn moeder vraagt of er iets is mompelt hij van nee er is niks ik ben gewoon een beetje moe.

 

ZONDAG

Nog een hele dag te gaan. Vandaag is er zelfs geen sportclub of bezoek gepland. De rest van de huisgenoten zit al uren verzonken in hobby of boek. De poes slaapt op zijn vaste plek voor de kast en de dag is lang. Hij besluit een rondje te gaan fietsen. Zijn hoofd is te onrustig. Hij fietst langs straten en pleinen en bevindt zich plotseling vlakbij de Rijnstraat. Zonder plan was hij vertrokken maar ongemerkt reed hij blijkbaar de route van de bus. De zon schijnt op zijn hoofd en hij slaat de Molenstraat in. Kinderen spelen, een man leest de krant op een bankje voor zijn huis en een hortensia staat in bloei. Dan wordt hij ingehaald door een scooter. 

Een stuk verderop houdt de scooter stil en gaat de helm af zodat er een jongen zichtbaar wordt. Dan gaat een deur open. Een meisje met een crèmekleurige jas, shawl en bruin haar stapt de straat op en loopt op de jongen af. Ze geeft hem een zoen, geeft hem een zoen, geeft hem een, geeft een, een, een. Zoen.  Ze lacht en lacht en lacht. Lacht naar hem en doet dan ook een helm op. Ze klimt achterop de scooter. 

 

Wanneer hij bij dezelfde plek aankomt zijn ze al weggereden. Dan slaat hij rechtsaf, geen idee waar hij uit zal komen. Hij wil nergens uitkomen. Hij wil en moet hard fietsen om van dat gevoel in zijn buik af te komen. Het zijn de honderden fladderende vogels die tegelijk stierven, daar in de Molenstraat. Ze zitten nog steeds in zijn buik. Dood.

 

MAANDAG

Hij stapt in de bus met op zijn oortjes harde muziek. Zonder te kijken loopt hij door naar de achterste rij van de zitplaatsen. Daar zakt hij in de hoek, pakt een boterham met pindakaas, neemt een hap en kijkt naar buiten. Volgende halte Mesdagstraat.

zondag 8 mei 2022

#81 Haal die hartslag omlaag.



#81 HAAL DIE HARTSLAG OMLAAG.

(542,90 km, Châteauneuf-sur-Loire)

 

 

Lichtjes gooide hij de lijn over zijn schouder naar voren. Na de zwoesj, de prrr en de plons zakte het loodje naar beneden. Het water bewoog nauwelijks toen onder het wateroppervlak het lokaas door het water begon te kringelen. Stilte.

De drukte in zijn hoofd luwde als de temperatuur na een onweersstorm op een broeierige zomeravond. Het werd helderder nu, frisser. Niet meer dat bedrukte van voor de storm toen hij zich kortademend neerzette aan de waterkant, zijn viskoffer naast zich in het gras. 

Hij slaakte een diepe zucht. Dit had hij nodig. De rust. Niet dat gezeik aan zijn hoofd. Niet al die mensen die iets van hem wilden en voor wie hij naar het magazijn moest om te kijken of dat ene fuckin’ koffieapparaat in die kleur nog in voorraad was. Bekijk het maar, met je “waarom is lichtgrijs duurder dan zwart of rood?” Al die toneelstukjes. Natuurlijk is dat apparaat er niet eikel, want het merendeel staat hier enkel voor de sier. Alleen de dure, nieuwe apparaten zijn nog in voorraad want die dienen verkocht te worden. 

Wat hij dus doet; hij loopt naar het magazijn, eet een dropje, spoelt zijn mond met een slok water, kijkt nog een minuut om zich heen en loopt dan weer terug. Beetje teleurgesteld kijken en dan zo meelevend mogelijk de tekst: ‘Ik ben bang dat ik u moet teleurstellen. Helaas, de laatste is net weg. Maar als u van echt lekker pittige koffie houdt kan ik u deze zeker aanraden. Ietsje duurder, dat geef ik toe, maar dat haalt u er zeker uit. Kan ik u een kopje aanbieden?’ 

Hij werd er opgefokt van. Niet alleen van alle koffie die hij met mensen moest drinken (het waren zeker twaalf sterke koppen per dag en dat doet iets met je hartslag), maar ook de boosheid van de klanten maakte hem gek. Vaak genoeg had hij ze het liefst scheldend de winkel uit gedonderd. Maar dat deed hij nooit. Uiteraard niet. Voor hem zeker tien anderen en de huur moet betaald. Al zeker zeven maanden kolkte het in zijn borstkas maar hij deed niets. Hij is geen beest. Godzijdank had hij het vissen. God. Zij. Dank. 

Maar goed, terug naar het hier en nu. Wees mindfull. Adem in, adem uit. Hij stond aan de waterkant met een lijntje in het water en het was goed zo. Sssst.

 

Stil. Niets ruiste, niets dwarrelde. De bladeren aan de bomen hingen stil boven het strakke water. Muggen dansten. Op zijn horloge zag hij dat zijn hartslag langzaam daalde terwijl onder water een dodelijke verleiding aan de gang was. Dat nieuwe lokaas moest het vanavond doen. Hard plastic met zoveel mogelijk kleuren waarbij de goudkleurige favoriet was. Zijn lucky one. Het bleef stil. Sssst. Hoor de eend. Adem in. Hoor het niets. Adem uit. Zie de strakke lijn. Focus op de dobber.

 

‘WEG! Weg hier, godvergeten klootzak. Opdonderen!’

 

Het kwam uit het niets vanaf de weg waar hij zijn auto geparkeerd had. Toen hij achteromkeek stond er een slecht geschoren man van ongeveer zeventig jaar in een bruine pantalon en wit overhemd. De broek werd omhooggehouden door ouderwetse bretels. 

 

‘Wat om de sode-tering-donder doe jij hier? Kun je godverdomme niet lezen of wat?’

‘Pardon, waar heeft u het over meneer? Ik gooi gewoon mijn lijntje uit.’

‘Heel snel moet jij met je hengel opzouten, heel snel.’

‘Rustig maar meneer. Ik haal de haak al binnen, momentje.’

 

Bats. Met één beweging trapte de man de wieldop van de Volkswagen.

 

            ‘What the fuck gast. Wat doet u? Bent u wel helemaal lekker?’

‘Ik zei toch dat je moest oprotten? Hoorde je me niet?’

‘Mijn wieldop. Weet u hoe duur dat ding was?’

‘Je mag hier niet vissen. Niemand niet. Ik alleen. Ik ben de enige die hier mag vissen...’

‘Het is al goed, ik pak al in zei ik toch.’

‘…Al was je de burgemeester of de koningin, niemand niet. Alleen ik. En jij al helemaal niet, papzak.’

‘Wat zei u?’

‘Dat je een lelijke papzak bent. Een vette vis. Een lillende tilapiafilet zonder graat.’

‘Jij spoort niet, ouwe.’

 

Bats. Daar ging de tweede wieldop. En krak. Een deuk in de portier. De oude man, een oud brandweercommandant met nogal wat onverwerkte issues, droeg zoals altijd zijn afgetrapte werkschoenen met stalen neuzen.

‘Volgens mij was ik heel duidelijk. Dit is privéterrein. Het staat in twee talen op zevenentwintig bordjes. Zevenentwintig. Ik heb ze met deze twee klauwen er zelf opgehangen. Mankeer jij iets aan je ogen? Wat begrijp je niet? Ben je echt zo dom?”

‘Ik ben al bijna weg. Je ziet het toch?’

 

Met een paar stappen stond de man plots dichtbij en griste de tweede en nog ingepakte hengel uit het gras. Het kostbare ding was geschoven in een hardplastic hengelkoker van één meter zestig.  De oude man pakte hem met twee handen beet, zette de stappen weer terug richting de auto, haalde uit en sloeg in een enkele beweging het raam uit het achterportier van de Volkswagen. Het hardplastic deed zijn naam eer aan. Op de achterbank lag een waaier van glassplinters. 

 

‘Doe. Normaal. Ouwe.’ 

‘Je staat er nog steeds, idioot. Ik zie nog veel te weinig aanstalten om te gaan. En zolang jij er nog staat, sta je zonder toestemming op mijn privéterrein. En zolang jij op mijn privéterrein staat, zal ik je van mijn terrein schoppen.’

 

Bats. Daar ging de ruit van de bijrijdersportier. De jongen raapte gek van angst al zijn vispullen bij elkaar en stoof met volle armen in de richting van de auto.

Bats. De rechterbuitenspiegel. ‘Stop!’ Bats. De rechterkoplamp. ‘Stop daarmee, kom op man.’ Bats bats. De linkerkoplamp. Bats, de schouder van de jongen. Bats Bats Bats, zijn achterhoofd.

 

Muggen dansten. Niets ruiste meer, niets dwarrelde. De bladeren aan de bomen hingen stil boven het strakke water. Op zijn horloge was zijn hartslag al niet meer te zien terwijl onder water de vissen rustig voorbij zwommen.

 

Het duurde een moment voordat de oude man zijn adem weer onder controle had. Even keek hij om zich heen naar de visspullen die verspreid rondom de auto lagen tussen stukken plastic en glas. ‘Amateur’, concludeerde hij. ‘Allemaal goedkoop spul uit China.’

 

Rustig haalde hij zijn eigen carbonhengel van de fiets en zette zich aan de waterkant. ‘Zul je godverdomme zien dat het rotjoch nog de vissen heeft weggejaagd ook. Ik kom hier voor mijn rust. Ik heb dat nodig ja, met mijn achtergrond. Anders ga ik nog rare dingen doen. ’t Is therapeutisch, dat vissen. 

 

Ontspan. Ontspan nu. Zo ja. Tjongejonge.

 

 

  

vrijdag 29 april 2022

#80 Ondertussen op het voormalig kantoor van de Dikke Baard.


#80 ONDERTUSSEN OP HET VOORMALIG KANTOOR VAN DE DIKKE BAARD.

(535,36 km, Vitry-aux-Loges)

 

De bureaustoel kraakte toen Tim aan het lege bureau plaatsnam. Eronder kruimelde bij elke beweging over de vloerbedekking stukjes plastic uit het binnenste van een haperend wieltje. Aan de muur links van hem hing een kalender uit 2014 van het plaatselijke Chinese restaurant. Hij verbaasde zich erover dat deze nog steeds als geschenk werden meegegeven met de babi pangang en de saté. En vooral dat mensen dit nog steeds aan kantoormuren hingen. De kalender was leeg op een enkele aantekening bij augustus na. Om de zeven stond een cirkeltje met ernaast, in lichtblauwe ballpointletters, ‘Andre’.

 

André was de oude man die voor hem het kantoor had bemand. Afgelopen woensdag was Tim op weg naar het toilet nog langs zijn open deur gewandeld. De ruimte stond vol met dozen, ordners en losse spullen terwijl André, beter bekend als dhr. Verhees alias de Dikke Baard, in zijn bureaustoel voor zich uit zat te staren. Hij droeg een verdwaasde blik op zijn oude hoofd. Tim had niet het lef gehad om hem te storen. 

De reden waarom de Dikke Baard enkel de kalender uit 2014 had laten hangen was Tim een raadsel, maar hij vermoedde dat hij niet vergeten wilde worden na zijn verplichte pensioen. Misschien hoopte hij dat er op zeven augustus een verjaardagkaartje op zijn mat lag. Tim nam zich voor er later een aantekening van te maken in zijn persoonlijke agenda. 

 

Buiten de kalender was er niets te zien in dit kleine kantoortje op de derde verdieping van het regionale politiekantoor. De lege kast, het verlaten prikbord en de kale lades stonden geduldig te wachten op de nieuwe bewoner. Tim, in dit geval. ‘Tiny Tim’, zoals hij bij zijn vorige afdeling werd genoemd, had het toch maar geschopt tot medewerker met eigen kantoor. Helemaal voor hem alleen. Het waren niet hooguit acht vierkante meters maar zeker acht vierkante meters. Niet zeven, niet zes. Acht. Telt u even mee? Tim wel. Die telde trots zijn vierkante meters en kwam tot de conclusie dat hij vanaf nu meetelde.

Rustig draaide hij het potlood tussen zijn vingers heen en weer. Vanuit het openstaande raam klonk het geluid van spelende kinderen op het schoolplein. Maar goed dat zij geen weet hebben van de echte wereld, dacht Tim. De echte Grotemensenwereld waarin Belangrijke zaken werden onderzocht door Belangrijke mensen. Mensen zoals hij. Met een kantoor, een potlood en een dossier voor zijn neus. 

 

Graag had hij zijn eerste dossier in een kartonnen map voor zich gehad. Zo één die men vroeger bij het plaatselijke warenhuis kocht. Een leeg bureaublad met een donkerblauwe of rode map met elastieken die op de hoeken alles bij elkaar hielden. Zo had hij zich zijn eigen kantoor altijd voorgesteld; als één uit een aflevering van ‘aus der reihe Derrick’, de Duitse cultcrimi waar hij zo van hield. Zijn chef had hem vanochtend echter uitdrukkelijk verboden gevoelige informatie via papier door de afdeling te verplaatsen, bang als hij was dat er gelekt zou worden naar de pers. Het idee alleen al maakte Tim onrustig op een positieve manier. Hij hoorde erbij. Dat was wel duidelijk. 

 

De promotie was natuurlijk niet helemaal onverwacht gekomen. Het zoemde al een tijdje over de afdelingen dat de Dikke Baard met pensioen ging en dat het kantoor vrij zou komen. Bij de kerstborrel werd er op de afdeling druk gespeculeerd wie er wellicht zijn plek zou mogen innemen waarbij zijn naam steeds werd genoemd. Tim had zich met een colaatje bescheiden op de achtergrond gehouden terwijl de spanning door zijn buik raasde. Van alle collega’s had overigens niemand kunnen vertellen wat voor werk de Dikke Baard nu precies deed als ‘persoonlijk assistent van de chef’, maar daar ging het ook niet om. De man had een kantoor voor zichzelf en dat was wat telde tussen de kipkluifjes en pastasalade.

 

De ventilator van de laptop begon zachtjes te zoemen en Tim draaide nogmaals het overbodige potlood tussen zijn vingers. Met welke zaak zou hij mogen beginnen? Tim was uitermate hongerig om eindelijk een echte Belangrijke Zaak tot op de bodem op te lossen, verlost van de eeuwige burenruzies, de afhandeling van café-opstootjes en gestolen fietsen. Nee, dat had hij nu wel gezien. Het was tijd voor het echte werk. 

Het duurde hem te lang. Vanochtend had zijn chef gezegd dat hij een mailtje zou krijgen met informatie over zijn eerste opdracht, maar tot nog toe was het stil geweest. Zou het de verdwenen handelaar in brocante zijn? Of de moord in de serre van het hoekhuis bij de watertoren? Stel je voor dat hij het ondergrondse drugslab in de brandweerkazerne mocht gaan doen. Allemaal interessante zaken waarin hij zichzelf als der reihe Derrick zag rondlopen. 

 

Misschien moest hij toch eens een regenjas gaan kopen. Het zou immers niet lang meer duren totdat hij op locatie moest gaan kijken. Een regenjas zou dan handig zijn. En een paraplu voor als het echt hard zou regenen. De nieuwe jas moest natuurlijk niet meteen helemaal doorweekt worden. Mijmerend keek Tim naar de staande kapstok in de hoek waar hij zijn spijkerjackje aan opgehangen had. Ja, een regenjas, dacht hij. Hoogstnoodzakelijk.

 

Even werd er op de deur geklopt en zonder een antwoord af te wachten verschenen in de deuropening twee mannen in stofjas. De achterste had een doos in zijn handen. 

‘Goeiedag. We komen dit even neerzetten bij je. Een printer. Die heb je blijkbaar nog niet.’ 

Tim keek naar het lege meubilair om zich heen om zich te vergewissen dat de mannen gelijk hadden. Inderdaad, een printer had hij nog niet. Ook nu weer wachten de mannen zijn reactie niet af en zetten ze de printer op het lage kastje naast de deur. Terwijl hij zwijgend achter zijn bureau zat sloten de mannen zonder een woord met hem te wisselen de printer aan. Tim liet het gebeuren en drukte de punt van zijn potlood een aantal keren in zijn handpalm. De jongste van de twee mannen boog zich over Tim heen om in zijn laptop de nodige verbindingen tot stand te brengen. Hij voelde zich als op de lagere school toen meneer Dender over hem heen had gehangen om zijn handschrift te beoordelen. Uit diens mond kwam indertijd steevast de walm van oude shag. In dit geval rook het wolkje tussen hen in naar aftershave en kauwgom. 

            

            ‘Zo moet ie het doen’, concludeerde de oudste man. Simultaan draaiden ze zich om en liepen door de deuropening weer weg. De stilte bleef hangen als een mist, net als zijn aarzelend antwoord. Naast de deur keken twee blauwe lampjes van de printer Tim dreigend aan. 

 

            Ping. Een mail kwam binnen. Dit moest het zijn. Tim vergat meteen de printer en zette zijn stoel dichterbij het bureau. Vanaf nu was het niet meer het kantoor van de Dikke Baard, maar The Workspace van Tim, Crimefighter. Hij snoof de lucht naar binnen en boog zich naar het scherm.

 

‘Ha Tim. Om te beginnen mag je bijgevoegde brieven even uitprinten en in enveloppen doen. Kun je ze vervolgens in de postvakken deponeren van de geadresseerden? Als je daar klaar mee bent kun je bij Dhr. Baarsma wat oude dossiers halen die gedigitaliseerd dienen te worden. Daar zul je de komende week wel zoet mee zijn. Groet en succes, Bob.’ 

 

            Bob was zijn chef en vanaf nu officieel een gore klootzak. De bijlage bleek een ontslagbrief voor de helft van zijn oude collega’s. Vanmiddag zou hij ze in hun postvakje moeten doen. Precies bij die postvakjes waar ze de afgelopen jaren dagelijks de wereld bespraken. Ze zouden hem zien staan en hem vragen hoe zijn eerste dag in zijn eigen kantoor was. En wat hij moest doen. En wat dus de Dikke Baard eigenlijk altijd deed. En wat dat voor brief was die ze van hem kregen.

 

Ze hadden zich allemaal vergist. Plots begreep Tim waarom de Dikke Baard zo voor zich uit had gestaard. Hij stond op en sloot zijn deur. Naast hem knipperde vrolijk een groen lampje op de printer. Het zocht contact met het netwerk en had het gevonden. Het apparaat was klaar voor gebruik.

 

maandag 18 april 2022

#79 Moenen zelf.

 


#79 MOENEN ZELF 

(monoloog voor de duvel)

(528,32 km, Nibelle)

 

Je was nummer vier en ik hengelde je naar binnen als een vis. Weet je dat nog? Wild spartelend liet je je vangen alsof je er zelf om vroeg. Nog bedankt daarvoor. Ik speelde het spel mee. Natuurlijk, dat maakte het voor mij alleen maar makkelijker. Leuker ook.

 Het was voor mij geen nieuw spel, dat weet iedereen. Duizenden jaren al trek ik verloren zieltjes naar me toe als strontvliegen naar een verse vlaai. Herinner je dat kind Mariken die ik in Antwerpse kroegen zeven jaar liet spartelen tot ik haar uiteindelijk ving? Ik weet het, vertel mij de geschiedenis niet, ze ontsnapte, maar mijn jachtmethode werkte naar behoren. Toen en nu nog steeds, met jou als lichtend voorbeeld. Toen je even niet keek dreef ik het haakje achteloos door je bovenlip. And I loved it.

 

 

Wat voelden jullie je sterk. Tovenaars met dollars waren jullie. Illusionisten van de beurs. Tot jullie plots moe werden. Een aantal van jullie in ieder geval. Ik weet niet of de rest het uiteindelijk heeft gehaald (het boeit me ook niet, ze waren niet de moeite waard, onbetekenende stofjes in de wind dat ze waren) maar jullie, mijn tien, viste ik op een aantal mooie visdagen uit het werkende water. En ja, jullie beten. Eerst ving ik drie wankele dames in mantalpak en toen zag ik jou. 

 

Al jaren had zag ik je tegen de stroom in zwemmen. Ploeterend van promotie naar promotie. Het wekte mijn interesse kan ik je zeggen. Ik vind kippen zonder kop altijd de moeite waard. ‘Die tomeloze ambitie, het is een oergevoel’, riep je altijd trots. Zeker was je van je richting. Werken, werken, werken. Geld, opleidingen, kurken vloer en een nog grotere auto. Wat de tegenstand ook was, je moest en zou die kant op. Onderwijl lachte je je suf om al die sukkels die met een hongerhypotheekje aan de kant bleven staan. Je ellebogen altijd rood geschaafd waande je je onoverwinnelijk. 

Maar knulletje toch. Ik ben een oude, ervaren man. Met mij loop je niet weg. Wetend wat ging komen hoefde ik simpelweg geduld te hebben.

 

Je was allang geen jongeman meer. Die ene keer toen je jezelf bekeek voor een feest bleven je ogen hangen op wat je lichaam was geworden. Je zag je de handen van je oom en het lijf van je vader en het beangstigde je. Acuut vormde zich een barst in je toekomstdromen toen je besefte dat het verval was ingezet. Dat was exact het moment dat er bij mij een belletje afging. Vrolijk liet ik die avond mijn krant zakken. Hier had ik op gewacht. ‘Ah heerlijk, tijd om te hengelen.’ Ik herinner me dat ik het hardop zei in mezelf. Ik had er echt naar uitgekeken. 

 

Vervolgens liet ik het allemaal gebeuren. Zo was op een dag de kopieerruimte plotseling te ver weg voor je. Weet je nog? Je lontje kortte ik in tot geen enkel gesprek met je vriendin nog liefdevol kon zijn. Op kantoor schreeuwde je aan de binnenkant van de metalen emmer die soms ineens over je hoofd leek te staan. Het kantoortoilet gaf nauwelijks verlichting voor de druk op je borst en als kersje op de appelmoes prikte elk werk-gerelateerd appje een priem onder je nagels. De hele dag door hoorde je Floyd zijn gitaar kapotslaan. Zoek dat maar eens op. The Wall, Pink Floyd. Another brick in the wall part three. Dat begin. Die klappen, dat slaan. Herken je het van die laatste ellendige dagen op kantoor? Die dagen voordat je echt instortte? Het is het geluid dat het dichtst in de buurt komt van mijn hartslag. Natuurlijk heb ik een hartslag. Over en over ramde ik het tegen de binnenkant van je schedel tot je er helemaal gek van werd. Ik geef toe, ik genoot ervan. Het is allemaal waar wat ze over me zeggen. En ga nou niet psychologiseren waarom ik dat heb, want daar heb ik geen boodschap aan

In de wachtkamer van de bedrijfsarts lag een folder. Het kasteel lachte je zonnig toe en je ging. Het kostte een vermogen, maar je wil toch enkel het beste? Voor jou geen Hema-retraite, dat wist ik wel. Ik ken mijn visvijver en zo bijzonder ben je nu ook weer niet.

 

Ik stelde me innemend, rustig en minder vaag op dan je vermoedde, nietwaar? Als ik in mijn ware gedaante had opengedaan, was je aangeslagen omgedraaid. Nee, een beetje liefde en zorgzaamheid zijn onmisbare gereedschappen voor iemand als ik. 

De eerste werken waren rustig en ik moet zeggen, je mixte verbazend goed met de anderen. De overstap van gin-tonic en coke naar kruidenthee bleek wel een ding te zijn. Pas na een maand dacht je er niet meer aan. Toegegeven, het was een beetje plagen mijnerzijds, want wanneer jij op je bed lag vloeide in mijn vertrekken de absynt rijkelijk. Een aantal dames zullen dat kunnen beamen, vriend. Dit mag dan wel geen Antwerpen zijn, maar een oude vos verliest nooit zijn streken. En deze vos is oud, geloof me.

 

Het begon wat gezelliger te worden toen één van de vrouwen toegaf iets meer voor me te voelen. Je kon erop wachten. Het zette van alles in gang. Ze was nog getrouwd in Nederland, maar dat was geen probleem. Ook niet voor de anderen, bleek. Ik voedde en voedde en legde zo de bodem voor het verbond van ons tienen. Er ontstond een soort collectieve jaloezie en openlijke afhankelijkheid. Wat waren we close met elkaar, nietwaar? Steeds meer visjes probeerden openlijk om bij me in het gevlei te komen. Het was een waar kunstwerk om dat te zien gebeuren. 

Zie de hand van de meester die kleintjes in zijn vingers knipt. Op dat moment dacht je niet dat je eraan meedeed, is het wel? Had je niet door hoe kwetsbaar je dat maakte? Hoezeer je op zoek was naar een nieuwe identiteit en naar mijn bevestiging? 

 

En ik gaf het je. Ik gaf je een huis. Ik gaf je een aai over je bol. Ik zorgde dat je jezelf weer bijzonder voelde. Al die aandacht van de vrouwen in huis, ik vond het best. Naïef was je. Je verwarde het allemaal met oprechte interesse en liefde, terwijl zij de tralies voor je kooi waren. Je goeroes en zielsverwanten, je overtuiging en zelfinzicht. Face it: je kon niet meer weg. Nooit. Je wilde niet. Daar zorgde ik wel voor. Denk je echt dat de groep je hier hield? Geloof je wat ze op tv zeggen over de pressie van het collectief? Nogmaals naïef. Je onderschat me. Je onderschat de meester. Ik ben het collectief en ík ben het individu dat je jezelf doet optillen en van grote hoogte laat vallen. 

 

Denk terug aan die tijd in de retraite, aan die maanden dat we met z’n tienen in het huis waren. Voelde je jezelf vliegen? Toen we met elkaar zongen en naar de sterren keken, voelde je toen de verbondenheid met de natuur? Met elkaar? Geloofde je dat echt? Zieltje toch. 

 

Ik, Lucifer, Beëlzebub, d’n Duvel was het die je vasthield en liet kijken. Zeven jaren leven in zonde heb ik verfijnd tot zeven maanden. Datgene waar ik toen het beste in was is gebleven; het verleiden, het sloeren, het harken en hengelen. Hoog boven het marktplein zweven heb ik veranderd in zweven op eigen kracht. En na een paar maanden in de retraite zweefde je als een volleerde huiskamerparagnost. Het was kostelijk om te zien. Ik hoefde je enkel nog te laten vallen. Net als die andere negen. Maar jouw val liet nog even op zich wachten.

 

Je waant je nu veilig met je zelf gekochte buskaartje, je eigen kracht en je zogenaamde vlucht uit een sekte. Denk maar niet dat je hebt kunnen ontsnappen, want ik liet je enkel wegzwemmen om je weer te kunnen vangen. Jij zweeft net nog iets hoger dan de anderen, vriend. Geniet je van het uitzicht? Zie je al die mensen op de markt naar je opkijken, vol medelijden en ontzag? Hoe hoger je vliegt, hoe harder de klap naar beneden is. Dat weet je toch? 

 

De jacht is geopend. Maak je geen illusie. Ik zit weer rustig achterover met de krant in mijn handen. Nog even en ik sla wat aas aan mijn haakje, speciaal voor jou. En als ik je heb, rooster ik je boven mijn vuurtje. Opdat je weet met wie je te maken hebt. 

Moenen. Zelf.

 

 

maandag 11 april 2022

#78 Twintig cent.



#78 TWINTIG CENT
(520,31 km, Nancray-sur-Rimarde)

 

Soms, wanneer Marieke in de besteklade op zoek is naar het juiste mes om een cracker te besmeren, denkt ze nog wel eens aan die dag dat diezelfde vingers door het kopje bewogen. Dat ene kopje waar haar hele leven sindsdien als een tornado omheen kolkt. Het stukje goedkoop porselein waar sinds die dag, als naar een zwart gat, alle tijd naartoe wordt getrokken en in verdwijnt. Het was een klein gebarsten kopje geweest. Cremekleurig met blauwe en rode bloemetjes. Zelfs nu, jaren later, ziet ze het nog voor zich op een kleedje staan en hoort ze zachtjes Elvis door een radiootje. You’re the devil in disguise. Inmiddels staat het in een vitrinekastje op haar kantoor op de universiteit.

 

Marieke’s live changing event begon op een zonnige voorjaarsdag zo’n vijf jaar geleden. Op een parkeerveldje langs de Rijn werd die dag een rommelmarkt georganiseerd door de plaatselijke voetbalvereniging en men hoopte van de opbrengst nieuwe shirtjes te kunnen kopen. Marieke stond dat weekend met haar familie op een naburige camping en bezocht die middag toevallig de markt. Ze kan er nog steeds met haar verstand niet bij. De kans dat zij als historica met haar kennis precies op dit moment, precies op deze plaats zou zijn is nihil. Waarschijnlijk zelfs kleiner, maar toch gebeurde het.  

 

‘Ja, dat is mooi spul hoor’. De vrouw van de kraam, gezeten op een zonnig klapstoeltje, doopte haar friet in de berg mayonaise die boven de puntzak uitstak. Haar vingertoppen waren ermee bedekt. 

‘Ik heb daar nog een heel blikkie vol ringetjes en kettinkies, mocht je daarnaar op zoek zijn’. Ze smakte en likte met een grijns haar vingers af. Omgeven door schreeuwend gekleurd kinderplastic, apparaten in originele dozen en stapels handwerktijdschriften leek ze volledig vergroeid met haar handel. Aan haar kledingkeuze te zien hadden alle shirts en spijkerbroeken die op het kleedje lagen jarenlang in haar eigen kledingkast gehangen.

‘Ach, ik kijk gewoon maar even wat hoor’, had Marieke naar alle waarheid geantwoord, niet beseffend op wat voor keerpunt in haar leven ze zich bevond en hoe gewoon weldra zou veranderen in ongewoon. In bijzonder. In onvergetelijk. In onuitwisbaar en bepalend.

 

Echt veel had er niet in het kopje gezeten en eerlijk gezegd was het een wonder dat haar oog erop gevallen was. Het lag verscholen op een kleed tussen blikken en plastic bakken vol kleine prullaria die je vindt in keukenlades en garagedoosjes. Juist het feit dat het een enkel kopje was trok haar aandacht. Ze had door de knieën moeten gaan om het tussen de andere spullen van het kleed af te halen. Het voelde zwaar in haar handen en was tot de rand gevuld met kleine voorwerpen. Rustig gingen haar vingers door de medailles, de speldjes, de munten en verloren ringetjes op zoek naar… tja, naar wat eigenlijk? 

 

Hier had de dag een compleet andere wending kunnen krijgen. Had Marieke niet nog één keer haar vinger door het kopje laten gaan en simpelweg het ding neergezet, was er niets gebeurd. Dan was het hierbij gebleven. Ze zou dan zijn doorgelopen. Ze had voor een euro het beeldje van de venus van Milo gekocht, was weer verdergelopen en met de hele familie terug naar de camping gegaan. Maar zoals gezegd; ze haalde nog éénmaal haar vingers door het kopje en voelde op de bodem een kleinood met een ander oppervlak. Het duurde maar een fractie van een seconde. Ruwer was het, dikker, kouder. Minder rond ook. En omdat het afweek pakte ze het uit het kopje en hield het voor zich. 

 

En toen was het feit daar. Hier, bij dit kleedje met Elvis op de achtergrond en in een walm van oude koffie en friet stond voor Marieke de wereld stil. In haar handen brandde iets wat ze enkel kende uit boeken en catalogi van een enkel museum. Ze keek er zeker een minuut naar maar was overtuigd. Hier in haar hand lag een munt zo zeldzaam, zo bijzonder dat musea over de hele wereld het zouden willen hebben. Er bestonden historici aan de andere kant van de aardbol die ervan droomden dit in ooit hun hand te hebben. In haar handpalm lag een romeinse munt met aan de ene kant de beeltenis van Septimus Severus en op de andere kant twee centauren. Het kon niet missen. Dit was echt.

 

‘Zit er wat voor je tussen, schat?’ De vrouw was opgestaan en had haar afgelikte vingers afgeveegd aan de te ruime spijkerbroek. Van schrik liet Marieke het muntje terugvallen in het kopje en stamelde ‘eh… nou, ik keek even naar dit kopje. Wel mooi.’

‘Mooi? Dat ouwe ding? Ja, is natuurlijk wel echt Engels servies hè. Is nog van mijn grootmoedertje geweest hoor. Ik heb er ook nog wel een jusschaaltje van volgens mij.’

‘Nee, het kopje is voldoende hoor. En eh…’

‘Meid, voor twintig cent mag je het meenemen. Onder de voorwaarde dat je al dat kleine spul wat erin zit ook meeneemt. Het staat al jaren in de garage en ben er nu klaar mee.’

 

Haar leven was zojuist veranderd. Uiteraard zou ze er nog onderzoek naar moeten doen, maar als haar vermoeden klopte had ze tussen de speldjes en boodschappenmuntjes een munt van onschatbare waarde gevonden. Vanaf nu zou haar hele carrière om dit muntje draaien. Lezingen, reizen over de wereld, verzekeringsgeld. Het duizelde in haar hoofd. Kon ze dit maken? Kon ze de vrouw twintig cent geven en verder lopen? De vrouw die niet eens voor zichzelf, maar voor shirtjes van de voetbalclub haar hele hebben en houwen verkocht? 

 

En terwijl ze dit allemaal bedacht, zag Marieke haar vingers in de tas verdwijnen, er een portemonnee uithalen, tussen haar eigen munten zoeken en een muntstuk van twintig cent vinden.

‘Weet je zeker dat je het jusschaaltje niet wil? Kijk, hier is ie. Oh, hij mist wel een oortje. Nou ja, als je hem voor vijftig cent wil, mag je die ook meenemen.’

Ze hoorde zichzelf zeggen dat ze tevreden was met het kopje, de vrouw bedanken en liep toen weg. 

 

Vlak na de uitgang pakte ze snel haar mobiele telefoon om haar collega’s op het oudheidkundig museum te vertellen over haar vondst. In het voorbijgaan zag ze nog net de kleine jongens van de voetbalclub met een ijsje langslopen. Ze hadden zojuist getraind op het naastgelegen voetbalveld. Allen droegen ze de rood-blauwe shirtjes van de vereniging. Enigszins afgewassen stond er trots de sponser op: Romein Grondwerken. Marieke zette een stapje bij toen in haar oor de lijn over ging. In haar hand brandde een muntje van meer dan tweeduizend jaar oud.

 

 

maandag 4 april 2022

#77 Ode aan een waterkasteel.




#77 ODE AAN EEN WATERKASTEEL

(513,37 km, Boynes)

 

O, watertoren van Boynes, kolom van druk, brenger van water. Je staat als pilaar aan de rand van het dorp maar niemand lijkt je op te merken. Hoe kan men jou over het hoofd zien? Hoe beweegt iemand aan je voorbij zonder vol ontzag een zucht te slagen om je hoogte, je simpele raampjes en je moede hoofd vol water? 

 

Een klein weitje hebben ze je gegeven. Enkel je voeten onder de grond kregen bewegingsruimte. Je tenen zachtjes wiebelend door de aarde, maar zitten is er niet bij. Als een geit sta je op een klein stukje gras. Een hek met een slot en een paadje naar je deur, dat is al waar jij het mee moet doen. Met moeite bleef de putdeksel naar je ondergrondse binnen het hek. Als het hen was gelukt, was ook die opgegaan in het kille meubilair van de straat die zelfs met plassen zon en vogelgezang geen enkel elan uitstraalt. 

 

Was ik maar schilder met een duidelijke toets zodat ik je kon vastleggen voor eenieder. Met verf zou ik de ranke metalen trap die zich als een spin om je meterslange hals kringelt in model buigen. Ik zou die spin vereeuwigen met een wakende blik over de oneindig lage grijze wolken die als een deken het land bedekken. Zijn kop zou ik ietsje draaien zodat het zou lijken dat hij ziet hoe elk huis grijs en wit gepleisterd is. Hoe alle mensen lijken te zijn verdwenen. Een enkele witte bestelauto zou zich aan de rand van het schilderij uit de voeten maken. Verward, verdwaald, verweesd. Niemand die die er was om hem een antwoord te geven op de vraag waar iedereen was gebleven. En ik zou het ook niet weten. Ik zou mijn verf over het vlak smeren en lijnen krassen in de natte onderlaag. Het is het enige geluid dat zou klinken. 

Ook nu lijkt zelfs de wind onverschillig om je heen te waaien. Waarom is het hier zo stil? Er zou een aubade moeten klinken. Een muzikale hulde, een zoet morgenlied speciaal voor jou.

 

Ach, kon ik je maar vastleggen in muziek waar men met gesloten ogen geroerd naar zou luisteren. Voor hun geestesoog zou ik je trots laten oprijzen uit het trillen van snaren. 

 

Nu de bestelauto weg is kras ik op papier een ouverture voor de opera die je verval bezingt. Onderwijl houdt jij als een machtige Atlas boven mijn hoofd de massa water bij elkaar. 

Een jonge sopraan zal je stem vertolken. Tinkelend als een waterval en hoger dan wie dan ook. Bedenk hoe het publiek zal sidderen in rood pluche wanneer haar hoge noot verhaalt van jouw dorre plek aan de rand van het dorp. Zie hoe dikke gecoiffeerde directeuren hun tranen uit de ogen vegen bij het horen van je verhaal. Hoe ze in het donker ongemakkelijk heen en weer bewegen terwijl ze zich het beeld van dorpsfeest en kerst voor de geest halen. Avonden waarin lantaarns, bloemen en muziek de gevels sieren. Die avonden vol vette eendenbouten en suikergoed die eindigen met het wassen van hun handen in onschuld. Helderfris water spoelt licht klaterend hun zonden en hun kater weg. Maar niemand, niemand die ooit de moeder die hiervoor zorgde bezong. Degene wiens troostvolle druk er altijd was. Zij die ze alleen gelaten hebben in het grijs van de rand zonder een enkele lantaarn of bloem. 

 

Maakt niemand zich dan zorgen om jou? Is er echt geen ziel die zich over jou ontfermt? Jij, zonder wie generaties hier waren gestorven. Piepend en rochelend van de door stilstand water veroorzaakte ziektes. O, dokter van het dorp. O, toren van gezondheid. De nieuwe bewoners aan je knieën zijn enkel bezig met hun eigen groei. Zij zijn het die nu je vergezicht omsluiten, het opslokken en het zich schaamteloos toe-eigenen. Zij schelden op de stem aan de andere kant van de lijn, klagend over de waterdruk, terwijl jij ondertussen zuchten slaakt boven hun hoofd. Je zult je wel verbazen over zoveel onwetendheid. Dat neem ik aan. Verdrietig zijn over zoveel onbegrip.

 

Och, zagen ze je maar zoals ik je zie. Al die liefde voor kerken, eetlokalen en dorpshuizen. Voor winkels, drogisterijen en bakkers. Ze zijn belangrijk, dat weet ik wel. Maar laat mij wijzen naar jou, gevangen toren met je deur en drie raampjes. Je deelt je grasveld met een rattenval en rioolbuis, achteloos aan je voeten geworpen. 

Gaven ze je voeten maar wat bloemen. Plantte men er maar een perkje lobelia’s of vlijtige liesjes. Gaf men jou maar een boom wiens bladeren als een voortdurend compliment zouden ruisen in de wind. Richtte men maar eens per jaar een feest op ter ere van jouw hoogte. Bezongen zij op warme zomeravonden maar eens gebroederlijk jouw gracieuze lijnen en onmetelijk geduld. Herinnerden zij zich maar al die jaren waarin jij toekeek hoe zij hun ellenbogen schaafden, hun boeken op de fiets bonden en hun bessenjenever in de goot lieten vallen. Dat jij het was die hun vaders zag sterven en hun moeders hoorde lachen. Het baken in wiens schaduw hun kinderen lagen te soezen en die ooit tot schuilplaats diende van die twee dat het bestaan van een derde tot gevolg had? Zou men daar maar een roman over schrijven, een gedicht aan wijden, een beeld voor oprichten. 

 

Maar niets, niets van dat al. 

 

Niets gebeurt. De bestelauto reed het schilderij uit. Ergens tussen de huizen loopt een man op slippers. Hij kijkt niet om, hij kijkt niet op. Vanaf hier kunnen we hem niet zien. De huizen lijken leeg en niemand zit in geparkeerde auto’s. 

 

Zie daar, machtig waterkasteel. Zie, de zon schijnt aan de andere kant. Ik weet het, je kunt er niet heen. Als er iets gebeurt, dan gebeurt het daar. Je berust in je lot. Maar onthoud dat ik je vandaag zag. Weet dat ik deze middag van je zong. Besef dat er vanaf nu een schilderstuk bestaat wat jou bejubelt. En weet, dat de hoogste noot van de jonge sopraan, die allerhoogste noot, enkel over jou ging.